Apostolisch Spiergeheugen

Op sociale media verscheen afgelopen week onderstaand stuk van filosoof Robin Ruben Brouwer, die in 1993 het Apostolisch Genootschap verliet. Toch heeft het Genootschap hem nooit helemaal losgelaten.

Hij deed uitvoerig onderzoek naar het genootschap en schreef in de loop der jaren verschillende analyses, waarover later meer.

In mei 2020, kort na het verschijnen van Apostelkind van Renske Doorenspleet, schreef hij het stuk dat we hier plaatsen. Het is duidelijk dat het boek hem bijzonder had getroffen, en nog verder aan het denken had gezet.

Kort daarna is hij helaas overleden, maar wat een nalatenschap…


Les jeux sont faits

“Enige tijd geleden vernam ik van iemand dat het Apostolisch Genootschap excuses zou hebben gemaakt voor haar verleden. Ook al was er in de media – zoals dagbladen – geen melding van gemaakt, was dit opmerkelijk nieuws. Dit had natuurlijk te maken met het boek van Renske Doorenspleet en alles wat dit heeft losgemaakt.
Wat opvalt aan veel reacties op dit boek is dat de suggestie gewekt wordt dat het om een verleden gaat dat ver achter ons ligt. Apostel Wiegman spreekt in zijn filmpje op het internet over een verleden van twintig tot veertig jaar geleden. Na het lezen van ‘Apostelkind’, het kennisnemen van de vele reacties daarop en de recente excuses van de apostel, merkte ik dat de beschouwing op het apostolisch-zijn een actualisering nodig heeft. Een beschouwing en analyse die gaat over het heden, over apostolisch-zijn anno 2020. Want, wanneer wij er nu toe overgaan om dit verleden, deze doos van Pandora, te openen, dan is het nodig om te bepalen hoe wij ons daartoe verhouden. Wij dienen als eerste het apostolische heden te onderzoeken om onze positie ten opzichte van dit verleden te kunnen bepalen. Vandaar dat ik in deze tekst de lijn die door Doorenspleet werd ingezet wil doortrekken naar het genootschap en het apostolisch-zijn in deze tijd. Apostolisch-zijn: dat wat wij apostolischen tot onze vorming rekenen – een vorming die ons gemaakt heeft tot wie wij zijn.

Wie zijn wij?


Het openbaar maken van deze geschiedenis in allerlei media is als het doorbreken van een tijdperk. Zowel in als buiten het genootschap was het spreken over onze apostolische vorming problematisch. Er rustte een taboe op. Denk aan hoe wij destijds met de publicatie in de Panorama omgingen en denk ook aan de onrust die in het genootschap ontstond toen bekend werd dat het boek van Doorenspleet gepubliceerd zou worden. Nooit eerder kwam het tot transparantie over de interne belevingswereld van wat apostolisch-zijn was en is2. Het boek, de vele reacties en de media- aandacht, hebben een nieuwe realiteit geschapen. Een cesuur. Een tijd van tót 2020 (sinds 1946) en daarna.


Openbaarmaking en transparantie zijn emancipatie. Vrijmaking. Een vrijmaking die tot verwerking kan leiden, hoe pijnlijk dit ook voor iedereen kan zijn. Want dit kan voor ons allemaal ook betekenen dat wij een illusie rijker worden. Vandaar dat ik met deze tekst, hoe gevoelig dat ook ligt, wil bijdragen aan een nieuw discours: om zo gedetailleerd mogelijk op te diepen wat ten diepste onze identiteit was en is. ‘Les jeux sont faits’: de teerling is geworpen.
In deze tekst wil ik ingaan op het vraagstuk van het duiden van de apostolische geschiedenis en in het bijzonder hoe het genootschap tot 2020 met haar geschiedenis is omgegaan. Vervolgens wil ik in gaan op wat het binnenste van het apostolisch-zijn is. Dit betekent dat we niet zozeer moeten kijken naar de (geloofs) verhalen, maar naar de apostolische beleving en hoe dit ons gevormd heeft. In dit kader zal ik ook ingaan op hoe ik zelf door onze belevingscultuur werd gevormd. Daarna zal ik ingaan op het gevoelige thema dat ons sinds het verschijnen van het boek van Doorenspleet bezighoudt: de pijn. Hoe is het mogelijk dat een religie of geloofsgemeenschap bij honderden of meer zoveel pijn, zoveel verdriet, woede en trauma’s veroorzaken kan? Tot slot wil ik ingaan op waar wij nu staan met elkaar en zal ik ingaan op de positie die het genootschap op dit moment inneemt ten aanzien van haar verleden, hoe ze daar mee om wil gaan en hoe wij allen tot verwerking daarvan kunnen komen. Ik weet dat wat ik schrijf confronterend is. Dit komt misschien omdat ik anders dan Doorenspleet, niet schrijf over een verleden dat achter ons ligt, maar over een levend verleden zoals dit bij het genootschap in Baarn en bij allen van ons nu leeft.

Aan het begin eerst een vraag…


Voordat ik verder ga wil ik een vraag neerleggen. Ook bij mij zelf. Altijd was het zo dat zij die kritisch waren, zij die vragen gingen stellen, al snel als buitenstaander werden beschouwd. Er was een niet te benoemen maar heel concrete scheidslijn. Er was een harde grens tussen binnen en buiten. Natuurlijk weten we – en Doorenspleet verwijst daar naar – hoe die scheidslijn door apostel L. Slok vanaf begin jaren zeventig aangescherpt werd. Wie vragen ging stellen (‘ja, maar…?’) kwam in een grensgebied terecht. En dit denken in scheidingen was ons niet vreemd in die jaren – denk aan hoe wij spraken over ‘de andere kant’ om de NAK te duiden. De scheiding tussen binnen en buiten was als een onzichtbare Berlijnse muur. Een muur die, zoals wij weten, soms dwars door families ging. Wij weten welke argumenten wij destijds hebben gebruikt om deze scheiding in stand te houden. Ik deed daar ook aan mee. Toen er een groep leeftijdgenoten collectief mijn confirmantenkring verliet waren zij vanaf dat moment voor mij en voor mijn vrienden, mensen die deze grens overgetrokken waren. Uit zelfbehoud keken wij op hen neer. Wij zeiden dit natuurlijk niet zo. En soms hadden we zelfs misschien medelijden met hen omdat ze niet meer konden ‘open staan’ voor ‘het woord’; echter, ook in dit medeleven klonk een zelf beschermende neerbuigendheid door. Ze hadden ons, dit mooie werk en de apostel in de steek gelaten. Waar zij terecht kwamen werd door ons niet zelden als ‘de goot’ betiteld. En dit kwam omdat ze zich onttrokken aan de liefde, aan de trouw en aan het warme gemeenschapsleven.


Jaren later, in 1993, ben ik deze apostolische Berlijnse muur ook overgegaan. Een van mijn jeugdvrienden zei destijds dat hij mij op mijn gezicht wilde slaan omdat ik verraad pleegde aan het allerhoogste. Onlangs zag ik op Facebook een korte getuigenis van een van de jongens die op die bewuste confirmantenkring was weggegaan. Ik had altijd een negatief beeld van hem gehad. Buitenstaanders. Ik had hem met de nek aangekeken. Bij het lezen van dit verhaal op Facebook voelde ik schaamte en woede. Schaamte, dat ik hem in mijn gedachten zo behandeld heb. Woede, omdat ik destijds zo gevormd was geraakt dat het denken in termen van ‘binnen’ en ‘buiten’, van ‘wij’ en ‘zij’, deel van mij was geweest. Woede, nu nog daarover. Medeplichtigheid. Want, nooit ben ik geïnteresseerd geweest in wat hij dacht of voelde. Daar was geen ruimte voor – ook niet bij de apostel, de oudste en andere verzorgers. Toen ik zelf over deze muur klom hebben mijn ouders en veel vrienden hier gelukkig wel begrip voor getoond al snapte men het niet. Maar ik weet dat dit niet vanzelfsprekend was. De bewuste man melde op Facebook dat zijn relatie met zijn vader nooit meer goed is gekomen. Dit waren geen uitzonderingen, want dit lag in de structuur besloten van wie wij waren. Hoe hebben wij en hoe heb ik dit kunnen laten gebeuren? Waarom heeft niemand de apostel, de oudsten, voorgangers en verzorgers hierop aangesproken omdat wij met die scheiding geen genoegen meer wilde nemen? Waarom werd – zeer recent nog – de apostolische studentenbeweging van begin jaren zeventig afgedaan als het op populistische wijze meegaan met maatschappelijke tendensen? Want feitelijk was er destijds door de apostolische studenten (het K.A.S.) onder bezielende leiding van herder Mengers, een eerste poging ondernomen om dit apostolische sektarisme te doorbreken – en die Berlijnse muur te slechten. Waarom werd vorig jaar tijdens een apostolische conferentie die aan de ambtsperiode van apostel J.L. Slok gewijd was, dit verleden van de K.A.S. nog steeds niet onderkend en werd er geen recht gedaan aan de emanciperende beweging die destijds werd ingezet (en, zoals we weten, door apostel L. Slok in de kiem werd gesmoord)?

Medeplichtig.

Laat ik beginnen met Mea Culpa vanwege al die mensen die ik vanuit deze doctrine verkeerd heb bejegend. Vrienden en naasten die ik heb aangesproken op hun gedrag, (apostolische) medestudenten die ik heb geprobeerd te overtuigen van het gelijk van onze cultuur met het denken in scheidingen tussen binnen en buiten, lid en niet-lid, trouw en ontrouw, levend vanuit de liefde en erkenning voor dit werk en een bestaan in normloosheid. Medeplichtig aan het in standhouden van sektarisme. Het spijt mij! Ik schaam mij ervoor! En ik voel woede dat dit in mij heeft geleefd en ik daarmee dacht dat ik bijdroeg aan het geluk van mensen en van mijzelf, omdat wij leefden vanuit ‘het werk’. Wat voor ‘werk’ is dit eigenlijk geweest?

Wij relativeren graag. We leggen de verantwoording liever elders. Wat het boek van Doorenspleet en al die honderden getuigenissen duidelijk maakt, is dat het niet gaat om incidentele gevallen, om de apostel, verzorgers, laat staan het ontbreken van zorgvuldigheid hierbij. Hoe heb ik als jongen van zeventien jaar zo kunnen denken en handelen? Dit is een vraag die alleen beantwoord kan worden vanuit de structuur, het wezen, of zenuwstelsel, van de apostolische identiteit: haar beleving. Het feit dat de apostel in alles werd geloofd zat niet in hem, maar in ons. Tijd om dit apostolische zenuwstelsel te onderzoeken en daarmee de lijn van 1946 tot het heden door te trekken.

Geschiedduiding als uiting van het heden.


Begin april 2020 verschijnt het boek ‘Apostelkind’. Al snel komen reacties daarover bij mij binnen. Een appgroep waar ik in zit verandert in een lees-appgroep omdat iedereen met het boek begonnen is. Er komen ook e-mails binnen. Mensen versturen elkaar links naar krantenartikelen of een radio- interview. Ook zijn er mensen die net als Doorenspleet naar hun eigen zolder gaan en oude correspondentie en verslagen (zoals uit de onderzoeksgroep van begin jaren negentig) met elkaar delen. Doorenspleet maakt melding dat zij honderden lange en persoonlijke e-mails heeft ontvangen en sluit haar emailadres voorlopig. Met mijn vader en anderen heb ik telefoongesprekken. Het verschijnen van dit boek maakt een storm los van ervaringen en even lijkt het alsof ik weer terug ben in de jaren negentig, de turbulente jaren dat ik het genootschap verliet.


Het beeld van deze receptie vertoont een groot contrast. Zeer velen herkennen zich in het verhaal dat door Apostelkind wordt geschetst. Ook al bevat het subjectieve observaties en ervaringen omdat zij schrijft over een tijd in haar gezin, in haar gemeenschap en met haar familie, is er ook duidelijk sprake van een algemeen herkenbaar beeld. Een indringend beeld, een choquerend beeld. Hoe heeft dit toch kunnen bestaan, hoe is het toch mogelijk dat wij dit hebben laten gebeuren? Deze reacties komen niet allemaal van mensen die ooit het genootschap verlaten hebben. Ik heb ook contact met veel mensen die nog lid zijn. Ook onder hen zijn er die met stomheid geslagen zijn door dit boek en aangeven woedend te zijn dat zij daar deel van zijn geweest. In de gesprekken met mijn vader memoreren wij de tijd van de jaren zeventig en herinneren wij dat we destijds thuis wel eens tegen elkaar zeiden dat het leek dat we in een sekte zaten. Al in 1984 had een begin gemaakt moeten worden om deze geschiedenis kritisch te duiden.


Daarnaast zijn er ook reacties van onbegrip en woede dat dit boek er gekomen is. Doorenspleet schrijft expliciet over het sektarisme van het genootschap en dat ligt bij velen nog steeds gevoelig. Sommigen geven aan dat dat men verbijsterd is dat wat men als het meest intieme beschouwt nu op straat is komen te liggen en rekenen haar dit aan. Ik verneem dat er iemand is geweest die gezegd heeft dat de opa van Doorenspleet – de man die in 1973 het interview aan de Panorama gaf – een verrader was en dat dit in het bloed van die familie zit (sic). Heftige reacties, heftige emoties. Belangrijk bij al deze reacties is de vraag of wat wij hebben meegemaakt destijds neveneffecten waren van het behoren tot een religie, of dat dit komt omdat het Apgen vanaf 1946 een sekte geworden was. Aan het eind van Apostelkind gaat de auteur op deze vraag in en schetst ze aan de hand van wetenschappelijke bronnen hoe men de geestelijke gesteldheid van het genootschap zou kunnen duiden.


Wanneer wij kijken naar de gevoeligheden die het boek losmaakt dan gaat het natuurlijk om dit punt. Was er sprake van een sekte, van geestelijke dictatuur en van manipulatie en misbruik? En wat zegt dit over wat het genootschap is geweest destijds en zo mogelijk nog is? Kan het niet zo zijn dat de heftigheid van de receptie van dit boek juist laat zien dat deze vraag zeer relevant is? Immers, als het genootschap een open religieuze cultuur zou zijn (geweest) dan was er al vaker op dergelijke wijze over haar geschiedenis gepubliceerd (dus ook in de jaren zestig of zeventig al). Als het genootschap een open cultuur is dan zou men anno 2020 niet stellen dat de intimiteit van deze cultuur door dit boek op straat is komen te liggen. Want wat valt er te verbergen, wat valt er dan nog ‘op straat te leggen’, als we open zijn over wie wij waren en wie wij zijn? Zegt deze uitspraak en de heftigheid van de receptie niet juist veel over het feit dat anno 2020 er nog steeds sprake is van een enigszins gesloten cultuur – juist als het gaat om de vraag naar die vorming van ons?


Hoe is men in het genootschap met deze geschiedenis omgegaan? In 2004 vindt er een herdenkingsbijeenkomst plaats naar aanleiding van de honderdste geboortedag van L. Slok. Manfred Horstmanshoff, die tijdens deze bijeenkomst een lezing geeft, schetst de periode van apostel J.L. Slok en hoe na 1984 veranderingen in het genootschap hebben plaats gevonden. Een noodzakelijk veranderproces. Zoals wij weten – en Doorenspleet schrijft daarover – vinden er in het genootschap altijd veranderingen plaats omdat men ‘eigentijds’ wil zijn. Echter, Horstmanshoff maakt tijdens deze lezing ook melding van een specifieke aanleiding voor de veranderingen die na 1984 werden ingezet. Hij stelt namelijk: ‘Daarmee heeft hij (J.L. Slok – rrb) op subtiele, maar doeltreffende wijze voorkomen dat ons Werk in sektarisme zou blijven steken’. Opvallend is dat hij op deze bijeenkomst ter herdenking van L. Slok nota bene, laat doorschemeren dat er sprake is van een sektarische voorgeschiedenis en dat het Apgen in die tijd dus een sekte is geweest. Kijken we naar het feit dat deze lezing gepubliceerd werd, dan laat dit zien dat Horstmanshoff een min of meer geautoriseerde weergave van de apostolische voorgeschiedenis gaf (en niet bepaald een subversieve weergave)


In 2016 wordt wederom bij deze geschiedenis stil gestaan. Zo ben ik aanwezig in de Doelen te Rotterdam waar zeventig jaar na 1946 herdacht wordt. Tijdens deze bijeenkomst krijgt emeritus apostel J. L. Slok het woord om over zijn herinneringen te spreken. Ook worden er filmbeelden getoond. Opvallend is een gefilmd interview met de zuster die als jonge vrouw tijdens de beroemde bijeenkomst in het Goffert-stadion in Nijmegen, de apostel namens het apostolische volk mocht toespreken. Memorabel is haar uiting geven aan de ‘onverbreekbare band’ tussen de apostel en zijn volk. Tijdens deze bijeenkomst in de Doelen werd met geen woord gerept over de negatieve aspecten van deze voorgeschiedenis. Anders dan in 2004, was er niemand die het woord ‘sektarisme’ in de mond nam. Dit geldt ook voor de van Oosbreeconferentie die enige jaren geleden samen met de NAK in Hilversum werd georganiseerd en de eerder vermelde Van Oosbreeconferentie van 2019 die gewijd was aan de ambtsperiode van apostel J.L. Slok (en waar hij als emeritus apostel werd geïnterviewd over die periode). Hoe komt het dat men in de eigen geledingen (mijn vader thuis in 1977 en Horstmanshoff tijdens een bijeenkomst in 2004) zo nu en dan wel het woord ‘sekte’ in de mond kon nemen om de periode van na 1946 te duiden, maar het nooit tot een analyse of getuigenis is gekomen van wat dit sektarisme in het leven van de apostolischen feitelijk betekende of betekent?

Hoe komt het dat het publiceren van het boek ‘Apostelkind’ en het geven van interviews over het apostolische sektarisme voor apostolischen nog steeds zo moeilijk ligt? Wie het pand Berg en Dal in Baarn bezoekt – dat gebouw waar apostel L. Slok met zijn ‘enge lijfrok’ samenkwam – wordt in de receptie meteen getroffen door een levensgrote foto van Slok en zijn volk. Het apostolische werk heeft vele apostelen gekend. Waarom hangt daar juist de foto van die apostel die het apostolische sektarisme heeft geïntroduceerd?


Enige jaren geleden sprak premier Balkenende in positieve zin over de VOC-mentaliteit. Dit kwam hem op veel kritiek te staan omdat voor menigeen dit positief benoemen van dat verleden beschouwd werd als een voortleven van die mentaliteit van destijds en de daden die toen zijn gepleegd. Wat uit de controverse die toen ontstond duidelijk werd, is dat de manier hoe men naar het verleden kijkt en de sentimenten die men daarbij heeft, bepalend zijn voor de vraag of die geschiedenis nog voortleeft. In de apostolische geschiedenis waar wij het over hebben, zijn ook slachtoffers gemaakt en we zouden zelfs kunnen stellen dat wij allemaal slachtoffers en daders zijn (al is het de vraag of men dat kan erkennen van zichzelf). De redenen van de veranderingen die door J.L. Slok werden aangegaan betroffen iedereen en gingen over de totaliteit van de apostolische cultuur – omdat het, zoals Horstmanshoff tijdens zijn lezing liet doorschemeren, voor ons allen niet goed was om op de oude voet door te gaan. Is het dus niet eigenaardig dat het Apgen, juist nu ze zich profileert als vrijzinnig, men er nog steeds niet toe komt om van die geschiedenis afstand te nemen zodat ze haar slachtoffers recht kan doen? En wat zegt dit over de waarde van die vrijzinnigheid, die transparantie, die gesuggereerde openheid die ze in haar publicaties naar buiten toe graag aan de dag legt? Kan het zijn dat er nog veel (sektarische) elementen uit dat verleden in het hedendaagse genootschap doorwerken?


Wat mij bij het spreken over dit verleden met apostolischen opvalt, is dat men het meestal niet ontkent maar probeert te relativeren. Meestal zegt men dan ‘dat was die tijd’. Belangrijk is te beseffen dat toen ik op de confirmantenkring zat, het kabinet Den Uyl aantrad. Er was sprake van twee werelden. Die van school, waar inspraak en medezeggenschap belangrijk werden, en die van de gemeenschap en de kring – waar geluisterd werd. Met de herder kon men niet in discussie gaan. Wat heel belangrijk is als wij naar de sterke emoties kijken die men voelt bij het lezen van dit boek en het openbaar maken van die geschiedenis, is dat er sprake is (nog steeds) van ‘twee ervaringswerelden’. Twee werelden die zich allebei verhouden tot dit verleden, een verleden dat in het heden leeft. Vergelijken wij dit verleden met de uitspraak van Balkenende over de VOC-tijd, dan gaat het bij deze twee ervaringswerelden over mensen die, door dit verleden te relativeren, proberen om de goede tijd te redden uit de negatieve kanten die in deze geschiedenis aanwezig zijn. Dit doet men natuurlijk omdat die geschiedenis in de hedendaagse identiteitsbeleving doorwerkt en men dit levend wenst te houden. Levend, zoals op de herdenkingsbijeenkomsten waar ik naar verwees en zoals die foto in Baarn. De anderen ervaren dit levend zijn van die geschiedenis in het trauma dat men hierdoor heeft opgelopen, wat kan blijven bestaan – blijven leven – omdat het slachtofferschap nooit erkend kon worden. Wij kunnen dit vergelijken met al die mensen die heel lang als slachtoffers van het slavernijverleden nooit de erkenning hebben gehad vanwege het onrecht dat hun families werd aangedaan. Pas op het moment toen de Nederlandse regering hier afstand van nam, werd het mogelijk een begin te maken met het afsluiten van dit verleden. De levende geschiedenis vormt dus de verbinding tussen deze twee ervaringswerelden. Werelden die nog levend zijn en zoals we uit de heftige reacties uit beider werelden kunnen opmaken: springlevend. Voor de ene groep is dit de verbinding met het rijke apostolische, maar – zoals Horstmanshoff aangaf – ‘sektarische verleden’. Voor de andere groep de verbinding met een levend trauma dat door dit sektarisme werd veroorzaakt. Hoe is het mogelijk dat mensen getraumatiseerd konden worden? Hoe is het mogelijk dat wij allemaal wel wisten dat het Apgen een sekte was, maar daar ook positieve gevoelens bij hadden? Waarom is de één slachtoffer geworden en zijn de anderen de daden die tot dit slachtofferschap hebben geleid, blijven sanctioneren? En hoe is het dus mogelijk dat een zich vrijzinnig noemend genootschap pas door de publicatie van een boek tot introspectie gedwongen wordt? Is het genootschap wel echt vrijzinnig, of moet ze daar nu mee gaan beginnen?


Wie één op één met apostolischen spreekt, merkt dat iedereen eigenlijk met deze geschiedenis in zijn maag zit. Want het is een bizarre geschiedenis. Toen ik een paar maanden geleden met mijn vader oude filmpjes van het intranet bekeek, waren wij beiden verbijsterd dat wij dit destijds hebben meegemaakt en dat dit onderdeel van ons leven was. We moesten zelfs zo nu en dan lachen en konden ons eigenlijk niet meer voorstellen dat we dit allemaal geloofd hebben. Er zullen geen apostolischen zijn die als ze met vrienden spraken, met trots verteld hebben dat wij met de levende christus uit Bussum geleefd hebben en over hoe wij ons gedroegen en hoe ons onderlinge contact was. Eigenlijk schaamt iedereen zich hiervoor. Dit is ook de reden dat wij, als we in de krant lezen over de ‘SlokGod’ – die Christus Gods die wij in ons hart droegen – wij ons daar heel ongemakkelijk bij voelen.


Vanaf de jaren negentig – denk bijvoorbeeld aan de Wolfhezeconferentie – beginnen wij hier over te praten met elkaar. Schoorvoetend. Tot een gedegen analyse van wat die tijd is geweest en hoe wij ons hebben gevormd hierin, is het nooit gekomen. Vermoedelijk uit schaamte, maar ook uit angst: angst voor wat er allemaal boven water zou komen als wij hierin zouden duiken en dit ruimte zouden geven in ons contact met elkaar. Angst voor wat er zichtbaar zou worden. Iedereen beseft dat er ook veel leed werd veroorzaakt dat met de mantel der liefde werd toegedekt. Een mantel die wij ook, zo hadden we immers geleerd, over onszelf heen trokken als het ging om ons eigen leed. En dat is een begrijpelijke reactie. Want wie opgroeit in een cultuur waarin dat wat je wordt aangedaan louter in stilte gedragen en verwerkt dient te worden, omdat alles, ook als dit heel veel pijn doet, ‘uit liefde’ is gebeurd, kan dit leed nooit zichtbaar maken. Talrijk zijn de getuigenissen – en ik ken er velen – van mensen die in dit werk dit leed nog bij zich dragen, die in therapie zijn geweest of medicatie hebben gebruikt. Zoveel jaren na dato. We kunnen dit vergelijken met een gezin waar bepaalde kinderen getraumatiseerd zijn geraakt, maar dit altijd voor zich hebben gehouden – omdat ze zelf altijd dachten dat dit nu eenmaal de consequentie was van de vorm die de liefde in dit gezin had aangenomen. Ze wilde bovendien de lieve vrede van dat gezinsleven niet beschadigen. Een pijn in stilte, verborgen, onbegrepen door anderen, maar een heel aanwijsbare pijn.


Is het niet een gebrek aan respect voor de uniciteit en de autonomie van een ieder van ons als dit nog steeds verborgen zou moeten blijven? Zijn wij het niet aan elkaar in moreel opzicht verplicht om elkaar die ruimte te geven en tot erkenning te komen van wat er werkelijk is gebeurd? Wij namen en nemen grote woorden in de mond, over liefde en erkenning voor de uniciteit van de ander – apostolische woorden. Wat zijn deze woorden waard als wij ons eigen leed en dat van zovelen van ons, niet een plek kunnen geven? Zijn die woorden niet een farce als we, omwille van wat voor redenering, of excuus, niet kunnen komen tot erkenning van dit alles? Betekent het zijn van een open cultuur niet dat allen hier met hun vorming een gelijkwaardige plek in dienen te hebben? Getuigt het niet van het optrekken van oude grenzen als men de mensen die het niet meer konden opbrengen om naar de dienst te gaan vanwege wat zij als traumatisch hebben ervaren, alsnog worden uitgesloten om hen als ‘zij’ te classificeren? Zijn wij niet allemaal deel van dezelfde geschiedenis? Laten we niet zeggen dat dit nu eenmaal mensenwerk is en dat bepaalde personen, in bepaalde gevallen, onzorgvuldig hebben gehandeld. Ik, als zeventienjarige, was medeplichtig, collaborateur aan deze mentaliteit, deze cultuur. Het zat in mijn systeem. Door het te ‘downplayen’, door het kleiner te maken (omdat het om ‘bepaalde gevallen’ zou gaan) brengen we schade toe – alsnog. Laten we eerlijk zijn en erkennen dat deze geschiedenis niet deugd. Want, als het incidentele gevallen waren geweest, dan hadden niet honderden op het boek gereageerd – met, zoals Doorenspleet liet weten, lange, pijnlijke en ontroerende getuigenissen. Getuigenissen over ons. Elke poging om het nu nog te relativeren of te historiseren is een bewijs het te willen vergoelijken. Het wordt tijd dat we de mantel der liefde verruilen voor de mantel der schaamte. Mea Culpa!


Het apostolische zenuwcentrum: de ‘beleving’.

De reden dat dit allemaal zo gevoelig ligt – nog steeds – heeft juist met de apostolische cultuur te maken. Die cultuur werd ingrijpend veranderd, echter er zijn ook zaken die nog steeds doorwerken en mijns inziens de reden zijn dat een boek als dat van Doorenspleet anno 2020 nog zoveel emoties bij apostolische mensen kan losmaken. Om na te gaan wat onze apostolische vorming is geweest, dienen we een deel van de ontstaansgeschiedenis van het apostolisch genootschap proberen te duiden.


Vanaf 1946 ontwikkelt het Apostolisch Genootschap zich in een genootschap dat in ‘strikte zin’ eigenlijk weinig meer van doen heeft met het christendom. De nieuwe geloofsvisie die L. Slok vanaf de jaren vijftig introduceerde kenmerkt een afscheid van de christelijke wortels van het apostolische werk. Want, al vanaf die jaren wordt de bijbel losgemaakt uit haar christelijke betekenis en discours en wordt vanaf dat moment het ‘levende woord’ leidend. Wie vanaf een afstand en zonder kennis van hoe het in het genootschap in die jaren toegaat naar deze ontwikkelingen kijkt (en dan met name wat er qua tekst geproduceerd wordt: weekbrieven, verslagen), zou dit kunnen interpreteren als het ontstaan van een nieuwe theologie. Dat men van het ‘God-als-mensevangelie’ is gaan spreken suggereert dit bovendien. Echter, het eigenaardige doet zich voor dat die woorden, die teksten, die taal, in het genootschap niet als theologie worden behandeld. Er vindt op de keper beschouwd weinig duiding plaats. De weekbrief wordt in de bewuste week behandeld en aan het eind van het jaar is er nog een bloemlezing van de weekbrieven en verslagen van dat jaar, maar daarna gaan deze – zoals bij ons thuis – het archief in en kijkt men er nauwelijks meer naar om. Ik durf te stellen dat het in het genootschap niet om ‘het verhaal’ gaat. Het gaat niet om duiding, om theologie, om het hebben van een filosofie. Dit blijkt als we kijken naar hoe volgelingen en confirmanten worden begeleid om hen voor te bereiden op de confirmatie en eigening. Tijdens dergelijke bijeenkomsten – die ik zelf heb meegemaakt – ging het niet om het zich eigen maken van een verhaal en de kennis over de eigen cultuur, haar gebruiken en betekenissen. De voorganger die deze kandidaat- apostolischen begeleidt, lette niet op hun verworven kennis van de apostolische cultuur, de weekbrieven en de duiding van het God-als-mensevangelie. Deze confirmanten onderscheiden zich daarmee van soortgelijke kandidaten in het katholicisme, jodendom of in het protestantisme – waar studie, het leren van een taal (Hebreeuws in het jodendom), inzicht in de Bijbelse geschiedenis en kennis van theologie wel relevant zijn. Wat de vorming van apostolischen kenmerkt is dat het er eigenlijk om gaat om in een belevingswereld te komen. De voorganger die een avond van confirmanten bezoekt is niet bezig om de studievorderingen te beoordelen maar peilt de gevoelstemperatuur die deze belevingswereld eigen is. Gevoel en beleving; dat zijn de kenmerken die het apostolisch-worden uitmaken. Destijds werd deze beleving aangeduid door te spreken over de ‘erkenning-voor’. Erkenning voor de apostel en het werk. Echter, dit begrip ‘erkenning’ is eveneens niet afdoende om de beleving van de apostolischen te duiden. Het begrip ‘erkenning’ (voor de apostel) is tegenwoordig niet langer het richtpunt in de vorming van kandidaat-leden, omdat de apostel een andere plaats in het geheel heeft gekregen. Echter, mijn these in deze verhandeling, is dat deze apostolische belevingswereld nog steeds een hele belangrijke rol speelt in de apostolische cultuur.


In de paper ‘Apgen Revisited’ uit 2018 ben ik ingegaan op het feit dat de apostolische signatuur gekenmerkt kan worden als een ‘psychosociale belevingswereld’ en dus veel minder als een religieuze ervaringswereld, als een vorm van religie, levensbeschouwelijkheid, of filosofie. Dit hangt samen met het feit dat vanaf de jaren vijftig het levende woord belangrijk is geworden; een woord dat niet zozeer gaat om de talige inhoud (de betekenis daarvan), maar om wat men bij dit woord dat men naar elkaar uitspreekt voelt. Want al in de jaren vijftig is de apostolische cultuur met haar vormen (liturgie, sacramenten, muziek) ondergeschikt aan het levend-zijn van dit woord: dit beleven en ervaren in samenkomsten en ontmoetingen. Anders dan in andere religieuze culturen gaat het niet om vormen, om de cultuur. Het gaat om de beleving die men kan hebben met vormen. Om het verschil zichtbaar te maken wil ik een voorbeeld uit het jodendom hanteren. In het jodendom gaat het om de betekenis van de liturgie, dat wil zeggen de waarde die een bepaalde religieuze procedure heeft. Het ‘kaddisj jatom’ (gebed voor de doden) is een protocol waarmee men de doden eert en opneemt in de traditie van duizenden jaren jodendom. Bij het uitvoeren van dit gebed, deze procedure, gaat het niet om de beleving van de persoon die kaddisj zegt, maar om het zorgvuldig (correct) uitvoeren van de procedure. Voor joden is dit gebed een mystieke procedure die onafhankelijk van de beleving daarmee (het gevoel bij het uitspreken daarvan) een intrinsieke (en kosmische) werking heeft. Bij apostolischen is de vorm (zoals de eigen liturgie) ondergeschikt aan gevoel, aan beleving. De liturgie heeft als procedure geen betekenis indien er geen beleving daarmee mogelijk is. Zoals bekend is dit ook de reden dat apostolischen op vrij onbarmhartige wijze met hun eigen traditie om kunnen gaan. Liederen komen en gaan, de liturgie verandert voortdurend en de eigen geschiedenis heeft slechts een betrekkelijke betekenis in het alledaagse apostolische beleven. Apostolischen noemen zichzelf ‘eigentijds’. Daarmee wordt eigenlijk bedoeld dat de belevingssfeer die men zo belangrijk vindt louter als actuele ervaring waarde heeft. Het gaat om wat men nu beleeft, wat men nu voelt – al het andere is ondergeschikt daaraan. In het apostolisch zijn staan gedeelde beleving, gevoelens en emoties centraal.

De periode na 1946 kunnen we beschouwen als een fase waarin niet alleen de breuk met de christelijke wortels zich steeds meer aftekenen, maar ook als een fase waarin kerkelijke en religieuze vormen (ambtsnamen, taal en gebruiken) een relatieve betekenis krijgen – en wel als louter ten dienste van het scheppen, het creëren, van een gedeelde belevingssfeer. Wanneer ik kijk naar mijn ervaring op de confirmantenkring dan wordt dit goed zichtbaar. Mijn vragen naar de betekenis van passages uit de weekbrieven, of naar de achtergrond en relevantie van bepaalde gebruiken, werd door de verzorger op een gegeven moment afgebroken door mij erop te attenderen dat het daar niet om gaat. Het gaat om ‘wat je voelt in je hart’. Het gaat om de liefde voor de apostel en dit werk. Feitelijk gaat het daarbij – zo voel ik als confirmant aan – om de liefde voor een bepaalde beleving, een beleving die wij delen met elkaar. Een beleving waarvan, zo wordt op de kring gezegd, wij gelukkig worden. Een geluk, waar andere mensen die ons meemaken, ook gelukkig van worden. Wij zijn eigenlijk de brengers van een bepaalde beleving, van een bepaald gevoel, van ‘iets’ waar wij en anderen blij van kunnen worden. Wij houden van deze beleving en zoeken dit op omdat dit ons voert tot het hoogste geluk.
In die tijd van mijn confirmantenkring, besef ik dat het heel erg moeilijk is om aan anderen uit te leggen wat apostolisch-zijn precies is.

Ten eerste verzandt men al snel in een spraakverwarring. We zijn geen kerk maar wel een gemeenschap, we hechten wel waarde aan Jezus van Nazareth, maar hebben onze eigen christus uit Bussum en ga zo maar door. Wat ik wel kan uitleggen – zoals aan vrienden op school – is dat je gelukkiger bent als je blij bent, dat liefde belangrijk is tussen mensen en dat als je goed doet voor een ander, dit een bijdrage levert aan de wereld. Een vriendin op de middelbare school waarmee ik in de tussenuren al wandelend door de duinen waar de school gelegen is, zwaarwichtige gesprekken mee voer, vraagt mij hoe ik aan kijk tegen andere mensen die ook werken aan een betere wereld. Socialisten, christenen, joden en ook het Leger des Heils, zijn ook daarmee bezig. Ik herinner mij dat ik aanvankelijk niet goed wist wat ik daarop moest antwoorden. Zou ik socialist kunnen zijn, of bij het Leger des Heils kunnen zitten? Wat is het verschil tussen onze warme beleving (waar in mijn jeugd in elk samenzijn het woord ‘fijn’ aan verbonden werd) en de cultuur binnen het Legers des Heils of de socialisten? En waarom zijn beleving en emotie zo belangrijk? Waarom is er tijdens onze samenkomsten zo vaak sprake van ontroering? Op kring wordt met name door de meisjes zo nu en dan gehuild. Wat ik weet van anderen die zich inzetten voor een betere wereld, zoals de mensen van de Derde Wereld Winkel bij ons in de buurt (waar wij met school geregeld naar toe gaan), is dat ik ze niet kan betrappen op een warme belevingssfeer, laat staan dat ik hen ontroerd zie worden bij wat ze doen. Prima mensen, dat is zeker, maar geen emotionele mensen. Geen ‘gevoelsmensen’, althans dat denk ik. Waarom toch die beleving? Waarom zijn onze ‘ontmoetingen’ toch voornamelijk gericht op het krijgen van bepaalde gevoelens?

Kijk ik naar mijn jeugd dan merk ik dat wij uit alles wat wij deden dergelijke belevingen konden verkrijgen. Of het nu ging om het schrijven van uitnodigingen of het onderhouden van de tuin; uiteindelijk ging het niet om schrijven of schoffelen, maar om het bouwen aan de ‘belevingswereld’ van het apostolisch-zijn. Die kaarten en planten waren, net als de liturgie, slechts vormen. Vormen die wij aangrepen om tot beleving met elkaar te komen. Redenerend vanuit deze apostolische belevingswereld zou men hypothetisch kunnen stellen dat het aanleggen van een waterput – waar men in de Derde Wereld Winkel mee bezig was – weliswaar waardevol kan zijn, maar dat het eigenlijk niet gaat om die put, maar om het warme en dankbare gevoel dat men van het aanleggen van een put in Afrika kan krijgen. En het is juist dit gevoel van blijheid dat de relevantie van die put te boven gaat, dat zich heel moeilijk laat uitleggen aan mijn vrienden op school. Dat moet je ‘gevoeld’ hebben. En het is dit gevoel waarom ik apostolisch ben en niet bij het Leger des Heils zit of socialist ben.


Het zal tijdens de kringsamenkomsten wel ongeveer zo gegaan zijn. Als nieuwsgierige puber stel ik vragen om de relevantie van wat wij zeggen en doen in de gemeenschap te duiden. Ik wil de logica doorgronden van de dingen waar wij het over hebben. Echter, ik merk steeds dat het niet om de feiten gaat, maar om sfeerbeleving. Er is sprake van een belevingsdimensie, een gevoelswereld, waar ik als het ware in leer kruipen. Dit is een soort binnenwereld waarin ik die blijheid voel waardoor alles wat ik meemaak mij gelukkig doet zijn. Het is een hele positieve, mooie dimensie, een hele mooie en warme binnenwereld die wij samen met elkaar, als we tot ontmoeting komen, kunnen oproepen. Onze buurman bij ons in de straat houdt rozen en is blij als ze er gesnoeid en aangeharkt bij staan. Maar, dit is een andere blijheid dan die van de broeders die met het tuinonderhoud bezig zijn. Hun blijheid gaat niet over die bloemen, want dat zijn vormen. En ook als ze er niet goed bij staan dan nog belet ons dit niet om blij te zijn. Deze blijheid die wij ervaren als we de apostolische belevingsdimensie ingaan, staat eigenlijk los van de vormen, van de feiten die wij in de wereld aantreffen. Tuinonderhoud, het wassen van de auto van de voorganger, of het schrijven van uitnodigingen zijn eigenlijk aanleidingen om tot ‘ontmoeting’ te komen. En die ontmoeting wordt vaak, voordat wij gaan tuinieren of kaartenschrijven, aangegrepen om eerst die belevingsdimensie in te gaan zodat wat wij doen met elkaar dat geluksgevoel kan geven. Want eigenlijk gaat het niet om die tuin of die kaarten. Eigenlijk gaat het niet om de wereld, de feiten, maar om het cultiveren van een ‘parallelle wereld’; een gevoelsdimensie die ons het hoogste geluk geeft.


In die tijd verneem ik het verhaal van een voorganger die jaren geleden, toen het socialisme opkwam op zijn werk, had gezegd dat het voor hem niet gaat om betere leefomstandigheden, maar dat mensen daar gelukkig en dankbaar mee kunnen zijn. Het gaat bij ons niet om die waterput, ook niet om het afwezig zijn van een put. Het gaat erom dat men altijd in staat is om die beleving te hebben, in die dimensie kan kruipen – onafhankelijk van de realiteit van de wereld om ons heen. Wij bekwamen ons in het kunnen binnengaan van die positieve wereld waarin wij blij kunnen zijn. En dit kunnen wij ook als de planten in de tuin er niet mooi bij staan, of last hebben van een ziekte waardoor zij sterven. Wij kunnen álle levensomstandigheden een positieve en blije glans geven zodat wij dankbaar kunnen worden. Als de voorganger in de dienst vertelt over een broeder die plotseling overleden is en twee jonge kinderen nalaat, dan nog prevaleert aan het eind van dit samenzijn de dankbaarheid. Want wij zijn er, wij hebben die blijheid, die dankbaarheid, die warmte die er ook is als er iets heel ergs gebeurt. Wij zijn, zo merk ik in mijn jeugd, meesters in het sublimeren, het omvormen, van ervaringen; ervaringen die hoe negatief ook, door ons getransformeerd kunnen worden zodat die blije binnenwereld kan blijven bestaan.


Deze fijne, warme en in mijn beleving roze sfeer, deze dimensie waar ik leer in te gaan, vormt mijn jeugd. Het geeft mij een blij perspectief op het leven, maar ten opzichte van de maatschappelijke realiteit waar ik in leef, tegelijk ook een zeer vertekend beeld. Naarmate ik ouder word merk ik op school dat er ook een andere kant van het leven is. Een andere dimensie die in omvang veel groter is. Mijn leeftijdgenoten zijn niet zo blij als ik. Ik merk dat zij soms met omstandigheden moeten omgaan waar ik mij heel naïef en maagdelijk toe verhoud. Ik voel aan dat ik eigenlijk nog niets heb meegemaakt van het leven. En dit komt niet door de omstandigheden van mijn jeugd thuis, maar omdat ik in het contact met de realiteit van de maatschappij reageer door in die roze, warme dimensie te kruipen – die tovermachine die alles wat lelijk is heel mooi weet te maken zodat ik blij kan blijven. Ik houd mij voor dat dit ‘het werk’ is, maar heb niet door dat deze dimensie van ons mij op afstand houdt van het echte leven, de echte wereld; die wereld waar dat ‘werk’ eigenlijk op betrokken zou moeten zijn. Het zal geen toeval zijn dat wij in die tijd het woord ‘reservaat’ gebruiken om deze apostolische belevingsdimensie te duiden. En dit reservaat was niet een fysieke plek, maar een geestesgesteldheid. Een gesteldheid die je een ‘bevangenheid’ kunt noemen. Wij hadden niet door dat wij die gesteldheid, die bevangenheid, steeds weer op zochten op kring, thuis en in de dienst. Het was er gewoon en thuis of op kring werd ons als het ware geleerd hoe wij die dimensie van ons gevoel, van de emotie, de ontroering, van de blijheid en het hoogste geluk, in konden gaan. En als je eenmaal in die dimensie was, bleek het ook helemaal niet nodig te zijn om al die vragen te stellen zoals ik deed op de kring. Dat waren vragen die betrekking hadden op vormen of verschijnselen, maar wij waren in staat om vormen, situaties en levensverschijnselen te gebruiken om ze te transformeren, te sublimeren, zodat ze als aanleiding voor blije belevingen gebruikt konden worden. Dat was, zo stel ik nu, onze tovermachine.


De tovermachine in mij.

Ik vraag mij nu af wat die vorming destijds in mij is geweest. Wat gebeurde er als wij die warme, roze, binnenwereld ingingen? Voordat ik deze vraag wil onderzoeken, is een nuancering op zijn plaats. Toen ik schreef dat ik naïef was en maagdelijk in de wereld stond – wat overigens niet een kwestie van leeftijd is, maar later meer hierover – doelde ik erop dat ik de wereld op een gefilterde wijze waarnam. Deze apostolische signatuur, dit filter, dit apostolische ervaren van de werkelijkheid bezat ik ook op school. Mijn interesse voor de wereld zorgde ervoor dat ik mij al op jonge leeftijd wilde verdiepen in wat er in de wereld gaande was. Boeken, kunst, muziek en kranten waren daar het middel toe. Bij het recente herlezen van het werk van de Franse filosoof-schrijver Jean Paul Sartre besefte ik dat ik hem destijds niet kon begrijpen omdat wat hij als ‘de absurditeit van de werkelijkheid’ beschrijft en waar hij het boek ‘De Walging’ aan weidde, door mij feitelijk niet kon worden waargenomen. Het was voor mij niet voor te stellen dat de wereld, mijn wereld, die mooie wereld, absurd kon zijn, laat staan dat de ervaring daarmee een walging veroorzaakte over het leven. Natuurlijk was ik in staat om bij het mondeling tentamen de vragen goed te beantwoorden, maar het bleef theorie voor mij – het bleef ‘op afstand’. Soortgelijke vormen van onbegrip had ik ook met het werk van kunstenaars en componisten die indruk op mij maakte (Kienholz, Bartók, Ligeti), al bleef mij dit fascineren. De werkelijkheid van Sartre en Kienholz was voor mij eigenlijk niet toegankelijk zonder de ‘apostolische bril’ af te zetten. In die jaren heb ik soortgelijke ervaringen met het luisteren naar de muziek van The Doors en David Bowie en begin jaren tachtig met de muziek van The Joy Division en Bauhaus. De apostolische wereld en de ‘walging’ over de wereld, waren twee gescheiden domeinen. Altijd prevaleerde de eerste en werd deze gebruikt om de andere te neutraliseren. Het was op de kring niet mogelijk om over de walging voor het leven te spreken, zoals ik dat met klasgenoten deed7. De gedachte dat de wereld absurd zou zijn was een reflectie op de werkelijkheid die de apostolische geest, het apostolische gevoel, niet kon toelaten. Dergelijke gedachten moesten, kost wat kost, gesublimeerd worden. Want hoe ik ook op school probeerde om die walging over het leven te kunnen ervaren, om daarmee te begrijpen wat Sartre bedoelde, het lukte mij niet. Probeerde ik het aan te raken, erbij te komen in mijn gevoel, dan floepte ik als het ware meteen weer terug in die sublimatie dat het leven alleen maar reden is om dankbaar te zijn, blij te zijn. Ik was apostolisch!


Het binnengaan van onze wereld gebeurde natuurlijk bij het aangaan van de ‘ontmoeting’, het ‘contact’. Lichamelijk contact, oogopslag, elkaar aanspreken, het timbre van de stem (het woord ‘apostel’ altijd met een zachte ‘p’) en tijdens de diensten het gemeenschappelijk bekrachtigen van wat er werd gezegd, vormden de mechanismen, de instrumenten, waarmee wij toegang kregen tot deze dimensie. Natuurlijk speelde, zoals Doorenspleet beschrijft, muziek ook een belangrijke rol. Echter, het draaide om de ‘ontmoeting’, de ‘nabijheid’. Deze gedragsvormen heb ik geleerd om automatisch te kunnen beleven. Op de kring werd hierover vrijwel nooit gesproken. Het gebeurde gewoon, iedereen deed het en ik nam dit over en had niet door dat ik dit deed. Het werd deel van mij. Deze houdingen en gedragingen, droegen bij aan de beleving, aan de co-creatie van een warme, blije en fijne sfeer. Een sfeer die in mij kwam maar die ik ook overbracht op anderen in het contact, in de ontmoeting.


In deze sfeer van ontmoeting hadden wij aan een knipoog of een bepaalde blik genoeg. Deze blik, deze uiting van dit binnengaan van deze dimensie, vertelde meer dan menige weekbrief of richtlijn op de kring. Dit gevoel, dit baarmoederlijke gevoel in mij en in het samengaan met elkaar, maakte de betekenis, de werking van wat wij ‘God-als-menszijn’ noemden, uit. De liturgie, de weekbrief of een Bijbelse passage was hier feitelijk ondergeschikt aan. ‘Verzorgd-worden’ was voor het overgrote deel dit binnengaan van die belevingswereld.
Voordat ik verder ga om inzage te bieden in wat deze essentie van het apostolisch zijn was en ook om na te gaan hoe dit in deze tijd nog bestaat, wil ik eerst vanuit een theologisch perspectief naar deze ervaringen kijken. Voorheen werd wel gesproken over de ‘tempel’ die men ingaat. Onder apostel Slok leren wij dat de belevingsdimensie die ik hier beschrijf deze tempel uitmaakt. ‘Bij God te zijn’ is voor apostolischen vanaf het Wij zijn er voor God in het Goffert stadion te Nijmegen in de jaren vijftig, niet langer een transcendente ervaring. De God van het oude en nieuwe testament, zo leren wij op de kring, is een horizontale ervaring geworden. Apostel Slok bevrijdde ons, zo zeiden wij, van een verticale Godsbeleving en toonde ons ‘God in mensen’. De religieuze ervaring was vanaf dat moment immanent geworden. Deze dimensie die wij met zijn allen ingingen om die liefde, warmte en blijheid te ervaren, was God. De knipoog van de voorganger of het kneepje in de arm van een zuster, waren menselijke verschijningsvormen die tegelijk de hoogste manifestatie van God waren. Daarbuiten, of beter daarboven, was niets meer. Dit is de reden dat ons gebed in de meeste gevallen een melding was gericht tot de apostel. De apostel was de poortwachter van deze dimensie. Alles kwam van hem en ging tot hem. Hij was alfa en omega.

Pas sinds het onderzoek dat ik naar de apostolische ideologie en geloofscultuur heb gedaan, besef ik dat hierin de apostolische betekenis van haar hedendaagse ‘religieus-humanisme’ is gelegen8. Het humanisme heeft voor apostolischen een wezenlijk religieus karakter omdat zij aan menselijke bestaan- en ervaringsvormen het predicaat ‘goddelijk’ kunnen verbinden. Niet omdat deze ervaring, zoals men in het algemeen taalgebruik eigen is, te maken heeft met religie of godsdienst, maar omdat die blije en fijne ervaringen de hoogste verschijningen van het goddelijke uitmaken. Wie een blije kassamedewerkster meemaakt, maakt op dat moment in het contact met haar, de hoogste verschijning van God mee.


Waar ik in mijn jeugd mee worstelde was dat de bestaansconditie waar Sartre over schrijft, de walging, vanuit een dergelijk apostolisch perspectief niet religieus kon zijn. Een dergelijke ervaring kon dat hoogstens worden als deze ervaring ‘opgeheven’ werd. Dit opheffen betekent dat negatieve ervaringen zowel verdwijnen als naar een hoger niveau worden gebracht9. Ze worden omgezet in iets moois. Het probleem dat destijds op de middelbare school het lezen van Sartre, maar ook Franz Kafka, Harry Mulisch en Albert Camus veroorzaakte, was dat ik vanuit mijn apostolische ‘tempelbeleving’ maar niet kon begrijpen dat deze grote schrijvers en denkers bleven steken in het niveau waar zij zich in bevonden. Mulisch schreef over het banale kwaad dat in ons allen leeft naar aanleiding van het Eichmann-proces in 196110. Hij waarschuwt ons daarvoor en komt niet tot een opheffing van de realisatie van dit kwaad in mensen. Camus schrijft over de vreemdeling – de mens – die zich in een bevreemdende werkelijkheid bevindt en komt aan het eind van het boek11 niet met een oplossing van deze bestaansconditie. Moest ik aan de hand van wat ik geleerd had en wekelijks in de dienst meemaakte, constateren dat deze eminente auteurs nog niet voldoende ‘gegroeid’ zijn in hun menszijn? Misschien, zo vroeg ik mij af als zestienjarige, hadden ze nog veel waardevollere boeken kunnen schrijven als ze met mij mee naar de dienst waren gegaan. En wat te denken van Shakespeare, Einstein, Freud en Nietzsche? Naarmate ik meer begon te lezen en te studeren, ontdekte ik dat er bibliotheken vol waren met boeken van geniale figuren.

Zou het echt zo zijn dat de hele geschiedenis van de mensheid, zeker sinds Homerus al, een dwaling was en dat wij rond de bezielende leiding van een typograaf uit Bussum in de juiste werkelijkheidsdimensie verkeerden? Ik had toen nog niet door dat deze mensen over de wereld schrijven die is en dat wij eigenlijk leefden vanuit een droom. Ik durfde dat nog niet in te zien, ik durfde nog niet in te zien dat die wereld niet roze is, maar ook de gruwelijkheden in zich draagt van waar Mulisch en Hannah Arendt over schrijven (Eichmann, het kwaad), dat die wereld ook absurd is (Sartre), dat het leven in de beschaving nu eenmaal onbehagen met zich meebrengt (Freud) en dat elke cultuur de neiging tot slavenmoraal impliceert (Nietzsche). Zoals ik in 2018 beschreven heb in mijn evaluatie van vier jaar werken voor het genootschap, is deze cultuur, deze blik, nog steeds in het genootschap aan te treffen. En dit geldt zelfs voor het in een workshop in Baarn door mij behandelen van eminente theologen als Karl Barth en Paul Tillich. Bij het bespreken van Barths’ ‘crisistheologie’ gingen de luiken van de aanwezigen meteen dicht. Een theologie die de schepping als staat van crisis voorstelt, was niet positief, niet blij genoeg. Dat ik een foto liet zien waar Barth en Martin Luther King op te zien waren, gaf dan ook de nodige verwarring bij de aanwezigen – natuurlijk omdat men Martin Luther King hoog had zitten.


Tot slot van deze paragraaf nog een nuancering op de eerder beschreven jeugdervaring. Ofschoon er sprake was van een harde grens, een muur die twee werelden van elkaar scheidde, was er ook een tussengebied, een soort niemandsland.


Met mijn apostolische vrienden luisterde ik zoals ik aangaf, naar de muziek van The Doors en David Bowie. Het album ‘Diamond Dogs’ van David Bowie uit 1974 is geïnspireerd op het boek ‘1984’ van George Orwell uit 1947. Dit is een futuristische roman over het leven in een fascistische dictatuur. Wij zongen op de nummers van dit album mee – zoals ‘we want you Big Brother’ en ‘we are the dead’, wat letterlijk teruggrijpt op Orwells boek. Interessant is het dat wij destijds tegen elkaar zeiden dat onze apostel die Big Brother is, waarmee wij expliciet het verband legde tussen de fascistische dictator en onze apostel. Zoals Orwell beschrijft en door Bowie bezongen wordt, moet men van Big Brother ‘houden’. ‘We love you Big Brother’. In de liefde voor hem waren wij ‘the dead’ – levende doden omdat wij geen eigen leven konden hebben. De constatering van ons over die overeenkomst tussen het houden van de apostel en het houden van de dictator zou men een kritisch relativering van ons apostolisch-zijn en de apostel kunnen noemen.
Met het op zeventienjarige leeftijd aanvoelen van deze overeenkomst tussen deze twee werelden (de dictator en de apostel) bevonden wij ons op de grens, in het niemandsland. Voor elkaar was deze muziek en dit herkennen van de dressuur in ons apostolische leven, een relativering of distantie. Wij waren apostolisch, maar hadden door naar deze muziek te luiteren ook een ruimte gecreëerd van relatieve vrijheid ten opzichte van wat er in de gemeenschap gebeurde. En in die gemeenschap, op de kring of op de broedervergadering was het niet mogelijk om het verband tussen de liefde voor de dictator en onze apostel te leggen, tussen het zijn van ‘the dead’ en het zijn van een warme gemeenschap. Dat was taboe. Met het luisteren naar deze muziek, het lezen van boeken, het kijken van films, het gaan naar feestjes (alcohol), hielden wij ons voor dat wij wel apostolisch waren, maar niet zoals de anderen die gedresseerd waren. Zij, ‘the dead’, waren niet bij machte om te beseffen dat in het ‘we love you’ de essentie van het apostolisch zijn lag: de dressuur. Ten overstaan van niet-apostolische leeftijdgenoten hielden wij onszelf voor dat wij geen sekte waren. Wij luisterden immers naar Bowie en The Doors. Dat mocht. Met deze relativering richting het apostolisch-zijn en richting de maatschappij, hadden wij een niemandsland opgezocht. Een ogenschijnlijke uitzonderingspositie.

Lang hielden wij ons voor dat wij daarom niet sektarisch waren.
Wie het werk van de Sloveense filosoof Slavoj Zizek (1947) leest, merkt dat ideologie (geloof) nooit een in beton gegoten structuur is. Zizek beschrijft hoe het Stalinistische partijkader dat hij heeft meegemaakt, zelf haar eigen ideologie relativeerde. Er werden binnenskamers grappen over gemaakt, men dreef zo nu en dan met bepaalde figuren de spot en in dit partijkader moest men de eigen ideologie vooral niet te serieus nemen. Wie het heel serieus nam, wie vragen ging stellen, wie de ideologie niet relativeerde, liep de kans om over de grens te gaan en een dissident te worden. Zizek laat zien dat de levende kracht van een ideologie niet zit in de starheid van haar regels, haar hiërarchie en het gezag waarmee het partijsysteem functioneert. Want, iedereen heeft een soort van tussengebied. Iedereen kent de relativering, de grapjes – en zo nu en dan ook de kritiek – die voornamelijk binnenskamers onder intimi wordt uitgesproken. Zoals ik aangaf werd bij ons thuis soms gesproken over het zijn van een sekte. Juist in die uitspraak lag voor ons de ontkenning dat wij zelf sektarisch waren. Zizek laat zien dat dit het wezen van een ideologie of geloofssysteem uitmaakt. Dit is de reden dat men in de gemeenschap heel vaak tegen mij heeft gezegd – als ik bleef doorvragen – ‘dat ik het niet zo serieus moest nemen’ wat wij beleefden met elkaar. Want wie het te serieus neemt is al bezig om die muur over te gaan.


Dat wij vanaf de jaren negentig gingen spreken over het vroegere ‘hiërarchisch leiderschap’ als oorzaak van ons eerdere sektarisme, berust op een misvatting van wat er werkelijk gebeurd is. Wie Orwell leest merkt dat het niet gaat om de functionaris, de regels, of het geloofssysteem, maar om de innerlijke gevoelswereld. Een wereld die niet gaat over de ernst van woorden of leiderschaps- vormen, maar over de beleving daarmee. En in die innerlijke belevingswereld van ons relativeerden wij onze binding met de apostolische cultuur om daarmee die binding intact te houden. Dit is ook de reden dat het Apostolisch Genootschap door de veranderingen die ze in de jaren negentig heeft ingezet, niet volledig wist los te komen van haar sektarisme. Het apostolische sektarisme was en is niet zozeer verbonden aan de adoratie voor een persoon, maar aan de liefde die men onderling met elkaar beleefde en beleeft. Een liefde die niet star of dwangmatig is, maar die wij zelf hebben leren cultiveren en waarin ook altijd zo’n relativerende binnenwereld is om haar niet te serieus te nemen. Wanneer ik in 1993 de apostolische muur overga, gebeurt dit niet door het te relativeren, maar juist door haar serieus te nemen. Ik kon niet meer ophouden met vragen stellen om zodoende tot het wezen van het apostolisch-zijn te komen. Aan het relativeren was definitief een einde gekomen.

Apostolisch Spiergeheugen.


Terug naar de apostolische belevingsdimensie. In 2000 ben ik in psychoanalyse bij een psychiater op de Leidse gracht. Ik ben dan al zeven jaar uit het genootschap weg. Tijdens de sessies merk ik dat wanneer ik mijn ouders bezoek (die nog apostolisch zijn) er bij mij ongemerkt een gedragsverandering ontstaat. Mijn houding verandert. Letterlijk fysiek. Ik ontdek dat mijn gelaatspieren een bepaald gezicht trekken. Een warmer, fijner en liever gezicht. Mijn hele lichaam werkt mee hierbij. Mijn stem is anders, zachter, De woorden komen er op zoetgevooisde wijze uit. Met mijn psychiater spreek ik af dat ik bij een volgend bezoek mij zal voornemen om mij van deze gedragsverandering te onthouden, dat ik dus gewoon bij hen naar binnen zal gaan zoals ik thuis ook ben. Ik faal in mijn opzet. Terwijl ik het niet wil ben ik fijner, warmer, alsof mijn lichaam ten overstaan van hen automatisch in een bepaalde stand gaat staan. Mijn lichaam gaat op een apostolische wijze ‘aan’. Wij kunnen dit in fysieke zin apostolisch spiergeheugen noemen. Dit fenomeen is gedurende een bepaalde periode inzet van mijn therapie en het gaat er om dit af te leren – deze conditionering van mijn gedrag en houding te leren herkennen en mij ervan te ontdoen. Feitelijk is dit de apostolische conditionering die nog werkzaam is als ik al zeven jaar mij van dit genootschap heb losgemaakt. Het eigenaardige is, dat ik al in 1980 op de Jongerenkring, wanneer wij het thema van de trouw met elkaar bespreken, zeg dat veel van de trouw waar wij in de gemeenschappen de mond vol van hebben, ‘hondentrouw’ is: dressuur. Het gaat, zo impliceert deze uitspraak destijds, om gedrag dat wilsonafhankelijk wordt veroorzaakt. Het is namelijk gedrag dat veroorzaakt wordt door een reflex: zoals een hondje dat afgericht is om trouw aan diens baasje te zijn. Dressuurgedrag. Spiergeheugen. Tijdens deze kringbijeenkomst wordt hier niet verder over gesproken. Wij spreken verder over de apostolische trouw die wij opbrengen vanuit onze liefde voor de apostel, de broeders en zusters en dit werk. Bij mij is dan een licht opgegaan: dat die trouw, dat gedrag, die liefde en warmte, niet voortkomen uit wat wij écht willen in die situaties, maar dat wij dit gedrag vertonen op basis van reflexen die wij aangeleerd hebben. Zijn wij eigenlijk wel waarachtig of acteren wij zonder dat we het door hebben? Die vraag blijft mij intrigeren.


Gedurende de periode van mijn psychoanalyse besluit ik met mijn ouders het gesprek hierover aan te gaan. Ik heb het verhaal van het apostolische spiergeheugen aan hen uitgelegd. Ze hadden er begrip voor. Dit komt mede omdat wij bij ons thuis al in 1977 spraken over het feit dat het genootschap in sterke mate sektarische trekken vertoont en dat dit van invloed is op het gedrag van mensen. Mijn ouders gaven aan dat ik vooral mijzelf moest zijn. Het eigenaardige is dat dit ‘mijzelf zijn’ niet betekende dat mijn gedrag ingrijpend veranderde, maar dat ik de vrijheid voelde om te kunnen zijn wie ik ben. Het zelfverkozen gedrag. Ik hoefde niet meer fijn te zijn. Dissonanten kregen hun plek. Ik werd mens en hoefde niet meer een hondje te spelen.

Er was psychoanalyse voor nodig – vijf jaar – om de innerlijke dimensie van mijn apostolische vorming te kunnen onderzoeken. Ik merkte dat ik ‘gewired’ was. Er was sprake van een innerlijke, psychische infrastructuur of bedrading. Bepaalde ervarings-vormen, bepaalde passies en overeenkomstige situaties konden deze infrastructuur triggeren. Dit was voornamelijk het geval wanneer ik met apostolische mensen in contact kwam – wat ik om mijzelf te beschermen in die jaren zoveel mogelijk heb vermeden. Deze bedrading die ik door mijn vorming heb meegekregen was niet alleen geestelijk, was niet alleen gevoel, maar zeer zeker ook lichamelijk. Het was het product van lange jaren van dressuur. Deze reflexen kunnen alleen ontstaan als er sprake is van jaren van oefening.

Oefening: het overnemen en verinnerlijken van bepaalde gedragsvormen en de daarbij horende gevoelens, emoties. Ik kon onafhankelijk van mijn denken (bewustzijn, reflectie) in een bepaalde situatie komen waarin ik wilsonafhankelijk gedrag kon gaan vertonen. Graag maak ik hierbij onderscheid tussen in de algemene cultuur voorkomende gedragsvormen. Uitingen van fatsoen of wellevendheid die wij in bepaalde omstandigheden aan de dag leggen (op visite bij mensen, maar ook op de werkvloer), gebeuren in veel gevallen uitgaande van een zekere mate van autonomie. Je neemt een bepaalde houding aan, zegt dingen of houdt dingen voor je, terwijl je ook bewust bent dat je dit doet en je je op een dergelijk moment aanpast. Zoals mijn psychoanalyse duidelijk maakte gaat de dressuur die ik aangeleerd heb, stappen verder. Wat Doorenspleet beschrijft met het voorbeeld van het terugkeren naar de dienst in 2013, betreft gedragingen en sociale coderingen die wij niet louter kunnen scharen onder de noemer ‘sociale mores’. Haar relaas laat zien dat zelfs de persoonlijke gevoelswereld op wilsonafhankelijke wijze (en dus tegen wat men op dat moment verlangt in), emotionele reflexen aan de dag kan leggen. Emotionele, psychische ervaringen die men als een inbreuk op de eigen autonomie ervaart, maar desondanks ontstaan. Je hebt geen verweer, het overkomt je; er wordt op dat moment iets in je ‘aangezet’. Het innerlijk – het psychische apparaat – is dermate geprogrammeerd dat er emoties kunnen ontstaan die als een inbreuk of ontkenning van de geestelijke autonomie ervaren kunnen worden. Ofschoon in een dergelijke situatie niemand daartoe dwang uitoefent – zoals in het geval van mijn ouders destijds – was er eerder een gedragspatroon in mij aangelegd dat op basis van hele subtiele prikkels dergelijke heftige emoties kon veroorzaken. Zonder dat je het door hebt, word je een hondje.


Terwijl wij doorgaans schendingen van het lichaam als ernstiger aanmerken, ben ik van mening dat dit een misvatting is. Bovendien laat Doorenspleet zien dat haar lichaam in reactie op deze automatisch ontstane schending van haar psychische conditie, ook lichamelijke effecten veroorzaakt. Uit eigen ervaring weet ik dat het niet zelden voorkomt dat dit ook in lichamelijke zin klachten kan veroorzaken (zoals migraine of maagklachten – en bij mij in 2016, een burnout). Overigens meldt Doorenspleet nog een ander geval van lichamelijk klachten. Ik doel dan op het verhaal van haar vriendinnetje dat niet meer in het meisjeskoor wilde zingen omdat ze het lichamelijk niet meer kon opbrengen – en via ouders en voorganger, uiteindelijk bij de oudste te horen kreeg dat ze gewoon moest doorzingen. De ervaring die men heeft bij een dergelijke heftige emotionele reactie wanneer men aangedaan raakt (ontroering), terwijl men dat niet wenst, kunnen we misschien vergelijken met iemand die op onvrijwillige wijze seks heeft en tegen de eigen wil een orgasme (‘ontroering’) ervaart. Men beleeft dit als iets ‘vreemds’ (niet-eigen) en als iets dat extern is, maar dat men op de meest persoonlijke en intieme plek in zichzelf voelt opkomen, zonder dat men zich hiertegen kan verweren.


Keren we terug naar de alledaagse vormen van fatsoen en sociale mores, waarin we ook een houding aannemen omdat dit van ons verwacht wordt, dan gaat het bij deze geestelijke bedrading om iets van een geheel andere orde. Tegen de achtergrond van wat ik over de apostolische theologie heb geschreven, zou het obsceen en blasfemisch zijn om bij dergelijke ervaringen zoals die van Doorenspleet, mijzelf en vele anderen, over ‘God op zijn schoonst’ te spreken. En waarom zou religie of geloof tot therapie en medicatie mogen leiden? In deze werkelijkheid die natuurlijk gaat om jarenlange dressuur (manipulatie is op zijn plaats), is God mijns inziens helemaal niet aan te treffen. Vraag is dus wat de bron is in deze apostolische belevingscultuur. Het verhaal van Doorenspleet staat niet op zichzelf. Velen heb ik meegemaakt die dit kennen en op soortelijke wijze beschadigd zijn geraakt. Geestelijke beschadiging. Dat bovenstaande geschiedenis niet achter ons ligt mag duidelijk zijn. Het verhaal van Doorenspleet speelt zich zeven jaar geleden af. Zij was toen al een hoogopgeleide moeder met een gezinsleven en grote verantwoordelijkheden. Het is relevant om dit verhaal met actuele feiten aan te vullen.


De afgelopen jaren ben ik vanwege mijn werkzaamheden voor het genootschap op menige paasbijeenkomst in de Doelen geweest. In de meeste gevallen had ik iemand bij mij die mij bij mijn werkzaamheden assisteerde en kennis had van de psychologie en godsdienst-antropologie. Bij vrijwel alle samenkomsten die ik heb meegemaakt, kwam ik bekenden tegen. Mensen uit een lang verleden maar ook mensen die ik recentelijk had leren kennen. Het eigenaardige was dat degene die met mij mee was na die bijeenkomsten opmerkte dat ik veranderd was. Ik was na afloop niet de Robin die ik ervoor was. Wat waren deze veranderingen? Ik had lichamelijk een bepaalde houding aangenomen; mijn blik was anders, mijn manier van doen was blijer, warmer, opgewekter, fijner. Ik was in de overdrive gegaan. Apostolisch spiergeheugen, na zoveel jaren nog. Ik was weer apostolisch in mijn gedragingen. Indien een apostolische dit leest kan men denken dat er niks mis mee is als men euforisch en blij is omdat men daar gelukkiger door wordt. Maar ik was al gelukkig toen ik de Doelen inging. Ik ben niet zwaarmoedig, beschouw mijzelf als een optimist die op een vrolijke wijze in het leven staat. Bovendien bestaat mijn werk uit onderzoek naar de maatschappij en hoe wij de samenleving kunnen verbeteren; hoe wij haar rechtvaardiger en socialer kunnen maken. Waar kwam toch die overdrijving van bepaalde emoties, houdingen en gedragingen vandaan? Hoe is het mogelijk dat ik op een dergelijke bijeenkomst nog steeds die dimensie binnen kan gaan en mijn zicht op de werkelijkheid en mijzelf daarmee verlies? De werkelijkheid: wie ik ben als mens en hoe ik de wereld om mij heen beleef.


Wat ik hier schrijf – en dat geldt ook voor het relaas van Doorenspleet dat zich in 2013 heeft afgespeeld – gaat over de duidelijk aanwijsbare overeenkomst tussen het genootschap dat wij in de jaren negentig (en de periode ervoor) verlieten en het genootschap zoals dit nu bestaat. Wanneer wij terugkeren naar wat er door Horstmanshoff in 2004 werd gezegd over dat het genootschap niet in sektarisme moest blijven steken, wat is daar dan van terecht gekomen? Wij weten dat de functie van het apostelambt op fundamentele punten is aangepast, dat liederen en liturgie werden veranderd en ook dat op verzoek van de leden veel christelijke en Bijbelse elementen uit het genootschap verdwenen zijn. Hebben deze veranderingen bijgedragen aan de veranderingen waar in 2004 melding van gemaakt werd? Of zijn een aantal daarvan eigenlijk overbodig geweest en was het nodig geweest om voornamelijk op andere onderdelen de cultuur te veranderen?


Kijkt men naar de bijeenkomsten zoals in de Doelen dan is er nog steeds sprake van het collectief extrapoleren van bepaalde stemmingen, emoties en sfeerbeleving. Het feit dat ik weer kon worden aangezet is ingegeven door een collectieve sfeer, collectief gedrag. Uit elk contact, uit elke blik, uit de houdingen, de woordkeus, de muziek en de (film)beelden die getoond werden sprak nog steeds die positieve, warme, blije en fijne sfeerbeleving – die dimensie van een roze omgang met het leven, met elkaar en met zichzelf. Tijdens de evaluatie van de Doelensamenkomst met de psycholoog die met mij was mee geweest, konden we constateren dat elk perspectief dat gedurende deze bijeenkomst op de samenleving werd geboden (filmpjes, afbeeldingen en presentaties), overtrokken positief was en het wel op een soort sprookje leek. Zelfs het jeugdjournaal was realistischer. Dit komt natuurlijk omdat het filter waar ik eerder melding van maakte, nodig is om elke ervaring met het leven een positieve lading mee te geven. De perspectieven die op maatschappelijke ontwikkelingen werden geboden waren verstoken van realisaties over de daadwerkelijke problemen waar onze wereld mee geconfronteerd wordt. De voorbeelden die getoond werden van (niet apostolische) mensen die in de wereld actief waren om anderen te helpen, kregen net als voorheen weer een apostolisch etiketje mee – want, zo dachten wij vroeger, als er een conflict in de wereld werd opgelost dan hadden wij vanuit onze gemeenschappen daar ongemerkt invloed op uitgeoefend.

Ik wil even in gaan op het perspectief dat hierbij op het leven en de wereld geboden wordt. Enige tijd geleden beluisterde ik iemand die namens het genootschap geïnterviewd werd op de radio. Deze persoon sprak op een gegeven moment over de problemen in de wereld en suggereerde dat als mensen wat meer naar elkaar zouden luisteren veel van die conflicten niet nodig zouden zijn of zouden kunnen worden opgelost. In dezelfde tijd keek ik naar de documentaire ‘The Olso Diaries’13 over het vredesproces tussen de Palestijnen en Israëli in de jaren negentig. Het zien van deze documentaire over wat een vredesproces in een dergelijk conflict is, maakt duidelijk dat het willen komen tot vrede niet bestaat uit het opzoeken of betrekken van een warme of positieve sfeer van het naar elkaar luisteren. Eigenlijk gaat het om het tegendeel. De beide partijen werden doordrongen van de gruwelijkheid, het geweld en de haat, de pijn en het grote leed dat dit conflict al zo lang had veroorzaakt. Hun vredeswerk bestond voor een groot deel uit de erkenning van deze gruwelijkheid en uit het zich verdiepen in hoe dit had geleid tot het wantrouwen – de animositeit en de haat waar zij aan tafel in Oslo mee geconfronteerd werden. Vredestichten in een dergelijke situatie is een barre tocht en veronderstelt het door-akkeren van al het lelijke dat het menszijn in petto heeft. Bij het zien van deze documentaire trof het mij dat wat zij met elkaar gedurende dit proces hadden meegemaakt, eigenlijk veel leek op de harde en soms gruwelijke verhalen die wij uit het oude testament kennen. Het zien van deze documentaire toont aan dat de beide gesprekspartners heel dicht bij een oplossing kwamen (de moord op premier Rabin in 1995 maakt een einde aan dit proces), maar ook toont het hoe wreed en gruwelijk de wereld kan zijn en hoe moeilijk het dus is om met het goede bezig te zijn (ook als beide partijen dat willen). De uitspraak van die apostolische persoon in het radio-interview sloot naadloos aan bij de ervaringen die wij in de Doelen hebben gehad als er gesproken werd over de wereld waar wij in leven. Een hele lieve wereld waarin alles dat negatief, laat staan gruwelijk kan zijn, op grote afstand wordt gehouden of stelselmatig mooier wordt voorgesteld. Het negatieve mag er niet zijn. Ik vermoed dat deze sfeer die zo lang al in het genootschap valt aan te treffen, bij mij die bedrading wist aan te zetten omdat ik voel dat een neutrale blik en een gewone handdruk niet fijn genoeg zijn. Het ‘er gewoon zijn’ – zoals ik bij mijn ouders leerde om mezelf te zijn – betekent een acceptatie van het leven waarin het positieve én negatieve in gelijkwaardigheid er kunnen zijn. Die neutrale blik, of die ‘gewone’ handdruk, waren voor mij moeilijk tijdens deze bijeenkomsten, zoals in de Doelen, omdat ik onbewust aanvoelde dat alles wat niet blij was of niet fijn al naar dat negatieve van het leven verwees. Ik mocht van mijzelf – zo was mij geleerd – dat niet laten blijken.

Als men met apostolischen hierover spreekt dan valt op dat men heel snel in extremen denkt. Niet blij of niet warm, suggereert dan meteen dat men depressief of zwaarmoedig is, of dat men kil en zakelijk is, in plaats van meelevend. Dit is een eigenaardige reactie die verwijst naar die overdrijving die wij onszelf en elkaar hebben aangeleerd en maken die roze bril uit waarmee naar de wereld gekeken wordt. Als ik kijk naar de onderhandelingstafel in Oslo dan is het goed geweest dat juist deze mensen aan dit proces deelnamen en niet mensen die vanuit die roze en naïeve bril naar de wereld keken. Aan tafel zaten onder andere twee generaals die eerder opdracht tot moord hadden gegeven; ‘haviken’ die aan vrede wilde gaan werken – geen duiven. Wat duidelijk wordt in mijn onderzoek naar de bron van onze apostolische belevingscultuur, is dat die sfeerdimensie, die droom die wij ingaan, ons het zicht op de werkelijke aard van de realiteit ontneemt. Ook, zo wil ik duidelijk maken, maakt het ons onbekwaam om iets aan de wereld te doen omdat we haar niet begrijpen (willen). Haar begrijpen: de duistere kanten van het leven willen zien. En dit, het negatieve willen erkennen en daarmee omgaan, is voor apostolischen tot op de dag van vandaag een lastige zaak. Tijdens een cursus in Baarn sprak ik enige jaren geleden over het komen tot een realistisch perspectief waarin het kwade of slechte en het goede er beiden kunnen zijn omdat dit twee kanten van de werkelijkheid zijn. Een van de aanwezigen, die districtsverzorger is en pas op latere leeftijd apostolisch is geworden (wat zeer relevant is in dit geval), merkte op dat apostolischen veel moeite hebben om met de negatieve kanten van het leven om te gaan in het gemeenschapsleven. Deze uitspraak is veelbetekenend.
Kijk ik terug naar mijn ervaring van de bijeenkomst in de Doelen dan is het bizar dat ik nog aangezet kon worden door de sfeer en omgeving. Dat ik houdingen en gedrag ging vertonen dat eigenlijk een uiting is van hoe ik was en wie ik was toen ik apostolisch was. Een overdreven gedrag omdat ik in de overdrive werd gezet. Natuurlijk was er toch wel wat veranderd. De perspectieven die werden ontvouwd over de wereld waar wij in leven werden die middag niet door mij onderschreven. Ook ik had opgemerkt dat dit een vertekening was van de realiteit van de wereld waar wij in leven. Dit was wel anders geweest, toen ik nog apostolisch was en het beeld dat van de wereld werd geboden ook inlaadde in mijn perspectief daarop. Echter, is het niet veelbetekenend dat wat wij in een dergelijke situatie meemaken, juist gaat om dat wat ‘niet-cognitief’ is? Ik bedoel dat het gaat om dat wat met stemmingen en emoties te maken heeft, met het psychische – en niet met (kritische) reflectie, met ons denken. Om de eerder vermelde tovermachine te begrijpen is het dus nodig om niet te kijken alleen naar wat wij denken en ons bewustzijn, maar juist aandacht te hebben voor wat zich daarachter of daaronder in ons innerlijk afspeelt. Daarnaast is het zo dat als we dit (expliciet) sektarische karakter willen duiden, het benoemen van gedragsregels eigenlijk een ondergeschikte rol speelt. Het sektarische karakter van dergelijke collectieve gevoelsdimensies zit niet in de vraag of er regels zijn voor kleding of haardracht. Dat zijn slechts oppervlakteverschijnselen. In het Apgen is kleding en zijn haardracht niet meer verbonden aan voorschriften. Dit zou, de lezing van Horstmanshoff memorerend, kunnen betekenen dat dit sektarisme inderdaad tot het verleden behoort. Wie het relaas van Doorenspleet leest in haar boek en merkt hoe zij zeven jaar geleden nog op intens emotionele wijze geraakt kon worden, merkt dat het niet gaat om culturele vormen maar dat het gaat om menselijk contact – psychosociale relaties. Destijds, toen ik mijn ouders bezocht en ik al jaren niet meer apostolisch was, ging ik daarvoor niet eerst naar de kapper, laat staan dat ik een pak met das droeg. De sektarische werking zat niet in cultuurvormen, maar in intermenselijke betrekkingen, in de wijze waarop het contact tot stand werd gebracht. Bij het binnengaan in de Doelen, een paar jaar geleden, stonden buiten niet drommen mensen te wachten op de komst van de apostel. Binnen waren mensen niet allemaal gekleed in rok of pak. De sfeer was eerder informeel en ontspannen. Toch was er een haast niet te benoemen sfeerelement dat in de houdingen, de oogopslag en in het maken van contact aanwezig was. Culturele vormen, organisatiestijlen of communicatie laten zich relatief eenvoudig veranderen, maar hebben vaak een beperkte invloed op het gedrag. Wanneer men kijkt naar de voormalige DDR dan zien wij dat er ingrijpende veranderingen hebben plaats gevonden als het gaat om de introductie van een democratische organisatie van de samenleving. Echter, recentelijk nog werd er geschreven over het feit dat bepaalde communistische cultuuraspecten, houdingen en gedragingen nog steeds in de voormalige DDR zijn aan te treffen14. De conditionering, de bedrading, blijft nog lang intact (en werkzaam).
Wanneer ik kijk naar mijn ervaringen met het genootschap over de afgelopen jaren dan moet ik bekennen dat die oude bedrading nog in sterke mate aanwezig is.

Zoals ik eerder beschreven heb was het vaak heel moeilijk om mijn opdrachten (cursussen, workshops) naar behoren uit te voeren. Ik wil een paar voorbeelden noemen van mijn werkzaamheden en ook van wat ik met mensen destijds heb meegemaakt. Enkele jaren geleden verneem ik van iemand die door de leiding de opdracht heeft gekregen om bepaalde zaken betreffende het gemeenschapsleven uit te zoeken. Deze (apostolische) persoon die niet werkzaam was in Baarn maar een tijdelijke opdracht had gekregen, had zich voorgenomen om tijdens de vergadering geen blad voor de mond te nemen over de resultaten van dit onderzoek. Na afloop constateert deze persoon dat de zaken die door hem besproken hadden moeten worden, door hem zelf verzwegen werden, terwijl hij dingen had gezegd die hij niet had willen zeggen. Deze persoon was tijdens deze vergadering op ongemerkte wijze ‘aan gegaan’. De in hem aanwezige bedrading was geactiveerd geraakt, wat hem het zicht op de realiteit ontnam.

Gedurende de periode van mijn werkzaamheden (o.a. in Baarn) bleek dit een veel voorkomend fenomeen te zijn. Hoe is het mogelijk dat iemand die nota bene de opdracht heeft gehad om onderzoek te doen, de resultaten van dit onderzoek in een vergadering niet inbrengt of niet in durft te brengen? Mijn ervaring van de samenkomsten en vergaderingen destijds – ook als dit zuiver organisatorische vergaderingen betrof – was dat er meestal bij aanvang begonnen werd om een sfeer te scheppen van gedeelde belevingen. Door te spreken over eerdere zinvolle en warme ontmoetingen – zoals een dienst die men had meegemaakt – ging men met elkaar als het ware de belevingstempel binnen die zo eigen is aan het apostolische contact. Met name tijdens samenkomsten waar geestelijke leiders aanwezig waren, kon het voorkomen dat er uitgeweid werd over een gemeenschap die men bezocht had en hoe die ervaring zijn weg vond naar de weekbrief. Op zo’n moment is men eigenlijk bezig om eerst een dienst te houden. Men zoekt, zonder dat men dit bewust is, een gedeelde belevingssfeer, een ervaringswereld op waarin warme menselijke ervaringen, blijheid en dankbaarheid centraal staan. Woorden als ‘ontmoeting’, ‘nabijheid’ en ‘bemoediging’ zijn dan de sleutelbegrippen waarmee men deze tempel bouwt. In mijn evaluatie uit 2018 heb ik dit aan de hand van de beschouwingen van de politicologe Chantal Mouffe, het creëren van een ‘a priori consensus’ genoemd. Wat men op een dergelijk moment doet is het (onbewust) vestigen van een overeenstemming (consensus) tussen alle betrokkenen op gevoelsniveau. Dit gevoelsniveau is, zo weten we, uitermate positief (bevestigend, blij, warm). Nadat men een dergelijke consensus in beleving (en emotie) heeft weten te bereiken wordt het spreken over tegenvallende resultaten (zoals de bewuste metingen naar de gang van zaken in de gemeenschappen), uitermate moeilijk omdat die feiten als ‘negatief’ worden ervaren, als een verstoring van de belevingssfeer. De slechte cijfers verhouden zich op negatieve wijze ten opzichte van de positieve conditie die aan het begin van de bijeenkomst werd gecreëerd. Want hoe nog over negatieve feiten te spreken als men even daarvoor collectieve ontroering heeft meegemaakt? Slecht nieuws over ledenaantallen (bijvoorbeeld) kunnen dan niet expliciet over het voetlicht worden gebracht, of in louter zeer eufemistische bewoordingen, omdat die informatie afbreuk doet aan de gedeelde belevingssfeer.


Zoals ik weet van een andere persoon die ook onderzoek deed naar de interne organisatie, kan dit zelfs betekenen dat wanneer men dergelijke cijfers wel blijft inbrengen in de vergadering, men daar na afloop op aangesproken wordt. Dit ‘aanspreken’ heeft dan niet alleen betrekking op het waarheidsgehalte van de cijfers (die, omdat ze negatief zijn, nooit kunnen kloppen), maar ook op de vraag of de betrokkene wel handelt vanuit de apostolische gezindheid (sic). Vanuit een dergelijke belevingstempel kunnen als negatief beschouwde elementen van de realiteit niet geaccepteerd worden. Die kant van de werkelijkheid wordt (on)bewust zo veel mogelijk buiten de ervaringssfeer gehouden. Zoals ik eerder aangaf is het dan heel moeilijk om cursussen te verzorgen over theologen als Karl Barth of Paul Tillich. Elke zweem van een niet-positieve benadering van de wereld of het leven triggert meteen een afwerende reactie (minder fijn, minder positief). Chantal Mouffe schrijft over de gevolgen van de a priori consensus-houding in de maatschappij en hoe dit een democratisch, open, overlegstructuur ondermijnt. In het geval van het genootschap gaat het niet om rationele processen die betrekking hebben op de communicatie, maar om een geestesgesteldheid – een belevingsdimensie met overeenkomstige emotionele gedragskenmerken. Het is mijns inziens terecht om in dit verband van sektarisme te spreken. Dit komt omdat het niet – zoals in het geval van de consensus waar Mouffe over spreekt – gaat om rationele of strategische afwegingen, maar om onbewuste psychische condities die in het samenzijn manifest worden.

Men is gewired, net zoals ik, en voelt op basis van die bedrading, op basis van die die dressuur die allen van ons eerder ondergaan hebben. We kunnen hier volgens mij in psychische zin spreken van ‘dissociatie’: van het buitenwerking treden van bepaalde waarnemingen, gevoelens en gedachten. Iemand uit het genootschap waar ik veelvuldig mee samenwerkte, merkte na vergaderingen wel eens op dat hij niet bij machte was om verslag te doen wat er op de vergadering precies gezegd was omdat hij in die ervaringsdimensie was getreden. Bepaalde ervaringen, waarnemingen en gedachten, werden als het ware uitgezet. Of, om een metafoor te gebruiken; menigeen is tijdens een dergelijke vergadering als een konijntje dat in de koplampen van de auto staart. Men is in de positieve modus gezet. Al het andere valt buiten het waarnemingsveld.


De veranderingen waar Horstmanshoff in de bewuste lezing uit 2004 over spreekt gingen om het afstand kunnen nemen van het apostolische sektarisme. Het lag voor de hand om de functie van de apostel en de titels die daaraan verbonden waren, te veranderen. Natuurlijk is een dergelijk leiderschap een in het oog springend element als men van sektarisme spreekt. Daarnaast werd, op instigatie van de leden, veel van de religieuze en Bijbelse traditie veranderd. Ook deze verandering, die voortkomt uit de behoefte van de leden om van dit verleden afstand te nemen, zijn heel herkenbaar. Echter, zoals ik met mijn verhaal heb willen laten zien, zat het sektarisme van het genootschap (en zit zij nog steeds) niet in deze culturele vormen. Ze zit in de ontmoetingen en de emoties die dit oproepen. Men heeft destijds na de dood van L. Slok dit onderwerp nooit willen aanpakken. Altijd werd er vanwege de lieve vrede omheen gegaan. Altijd was het dat anderen niet gekwetst mochten worden of dat een kerkscheuring vermeden diende te worden.

Een archeologie van de apostolische pijn.

Liefde is onlosmakelijk verbonden met de apostolische traditie. De liefde vormt in haar cultuur van oudsher de verbinding tussen verschillende uitingsvormen van liefde. De liefde voor de apostel, de liefde voor ‘het werk’, de liefde voor de broeders en zusters, liefde voor medemensen, liefde voor de gezinnen. Ook de liefde voor de belevingswereld die wij ingingen was hierbij belangrijk. Bij al deze vormen van liefde ging het om een liefde-ideaal. Begrippen als ‘onbaatzuchtig’, ‘onomkoopbaar’, ‘zelf-schenkend’ en ‘onvoorwaardelijk’ werden aan de liefde verbonden. Natuurlijk kan men de uiting daarvan in vele liederen terugvinden. Ook passages uit de Bijbel speelden hierbij een belangrijke rol. De weekbrieven gingen vaak over de liefde. En wat te denken van het handgeschreven citaat dat apostel L. Slok in zijn binnenzak bij zich droeg? Aan dit citaat uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs en de betekenis daarvan voor de apostolische traditie, werd onlangs nog door Manfred Horstmanshoff een boekje gewijd17. Liefde was in het apostolische leven iets dat je beleeft en tegelijk ook een algemeenheid om vele uitings- en verschijningsvormen betekenis te kunnen geven. Ook vandaag, nu de liefde voor de Man Gods, voor de verzorging en ‘het werk’ een andere signatuur hebben gekregen, speelt de liefde onder apostolischen nog steeds een grote rol.
In mijn jeugd introduceerde mijn moeder mij met het boekje ‘De Profeet’ van Khalil Gibran18. Ik las daarin iets dat mij destijds intrigeerde, namelijk dat de liefde ook een zwaard in zich kan dragen. In mijn jeugd schonk ik niet veel aandacht aan wat dit zwaard zou kunnen zijn, maar het bleef wel bij mij hangen. Liefde kan dus ook beschadigen, pijn doen…


Zoals ik heb beschreven bestond/bestaat het apostolische werk voor een groot deel uit een belevingswereld die wij in kunnen gaan. Een dimensie die, als wij haar beleven, ervoor zorgt dat het leven heel mooi wordt. Gevoelens van dankbaarheid, blijheid, geluk en euforie daarover, kunnen opkomen. Vanuit deze dimensie kijken we heel positief naar het leven; we willen het negatieve liever niet zien. We gaan daar letterlijk aan voorbij, we overstijgen elk negatief aspect dat het leven kan hebben. Wij leerden zwart-wit te denken. Wie het negatieve ziet, wie daar te lang naar kijkt, kan verbitterd raken en ongelukkig worden. Verbitterde mensen zijn niet vruchtbaar. Alles in het leven draagt het positieve van de scheppende liefde-kracht in zich. Wie de natuurbeschouwing van broeder Zandstra bekijkt, die in de jaren onder apostel Riemers een poster maakte over zijn verwondering voor de natuur, merkt dat de positiviteit ervan afdruipt. Hij verwonderde zich niet over de maden die het lijk aanvreten, of over de enorme hoeveelheid plastic die in het lichaam van vogels valt aan te treffen. Positieve blik, het mooie en schone: om zo die belevingsdimensie van dankbaarheid en positieve gevoelens in te kunnen gaan en te extrapoleren, zodat die roze blik op het leven mogelijk wordt. Geen zweem van het absurde, geen glimp van enige verbijstering over wat er in de wereld te zien valt.
De enorme pijn en de woede die zovelen ervaren over hun apostolische vorming gaat juist over deze apostolische liefde. Een liefde die de reflectie over het eigen leven, de eigen identiteit en autonomie, maar ook het denken over de wereld om ons heen, niet toeliet. Deze pijn en woede gaat over een realisatie die wij pas achteraf kunnen hebben, wanneer wij onszelf de vraag stellen wat er werkelijk is gebeurd bij het optreden van al deze gevoelens, houdingen en lichamelijke reflexen die wij ervaren hebben. Want door erover na te denken wordt het mogelijk om de afweging te maken of wij het zélf wel zijn geweest en of onze emoties integer en oprecht waren – of dat wij het deden vanuit een reflex, vanuit de dressuur. Het kan heel pijnlijk zijn te merken dat men in een vergadering niet zichzelf kan zijn. Niet omdat de anderen je daartoe dwingen, maar omdat jij zélf, wilsonafhankelijk, een gedrag vertoont en op een bepaalde manier voelt en denkt, wat je achteraf bezien helemaal niet wilt omdat je dat niet bént. Het is heel pijnlijk om te voelen dat er emoties, zoals de ontroering, in je opkomen die niet een echte vrije ontroering waren, maar uitingen zijn van een eerder aangelegd gevoelspatroon. Pijnlijk is het, juist omdat je merkt dat dit gevoel dat in je opkomt op dat moment, een bewijs is van het feit dat je je autonomie, je eigenwaarde, als mens hebt verwaarloosd. Hondentrouw. Het voelt alsof je een hondje bent geworden. Het voelt dat je er zelf – van jezelf nota bene – op dat moment niet mag zijn, mag zijn zoals je bent.


Ik heb eens gesprekken met een pubermeisje moeten voeren toen er ogenschijnlijk sprake leek te zijn van een loverboy. Het fenomeen van de loverboy gaat niet zozeer om de jongen, maar om het vraagstuk van wat dit ‘zelf’, deze autonomie en eigenwaarde, in de beleefde liefde betekent. Los van de vraag of ‘liefde-voor’ als passie altijd een emotioneel aspect veronderstelt waarmee wij de reflectie op ons handelen voor een moment laten vieren, is het wel zo dat de deskundigen die dergelijke gesprekken met pubers voeren natuurlijk een onderscheid aanbrengen tussen de ‘alles schenkende’, ‘alles gelovende’ en ‘alles verdragende’ liefde, en de liefde waarin de integriteit, autonomie en eigenwaarde (en daarmee de kritiek) overeind kunnen blijven. Niemand wil immers dat zo’n meisje een hondje, laat staan een prostitué of slaaf is. Tijdens dergelijke gesprekken gaat het over de liefde. Het meisje geeft aan zielsgelukkig te zijn. Alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij. Maar niets vermoedend is er een zwaard…


De pijn en de woede die dergelijke meisjes later voelen wordt vaak geprojecteerd op de jongen en wat hij allemaal met haar deed. Maar eigenlijk gaat het daar niet om. De échte pijn, de échte woede, gaat over de liefde die in haar veroorzaakt is en waarmee haar belevingswereld tot uitdrukking kon komen. Want zij meende écht van hem te houden. Zij was euforisch en vol warme genegenheid in haar gedachten over hem. Het beeld van hem in haar vormde het verlossende element in haar leven.

Ze kreeg een ander beeld van het leven. De wereld was zo mooi – op school, met vrienden, juist ook op momenten dat ze niet bij hem was. Haar hele leven was van liefde vervuld. Het feit dat honderden deze pijn (over het geweld aandoen van de eigen autonomie) in het Apostolisch Genootschap hebben gevoeld, is veelzeggend. Dit is niet te beschouwen als de reguliere consequentie van liefdesverdriet zoals in een gewone relatie tussen jonge mensen, of de onverkwikkelijkheden die men in reguliere vormen van religie kan ervaren. Zoals ik heb laten zien wordt een normale liefdesrelatie gekenmerkt door een vorm van autonomie zodat de eigenwaarde beschermd kan worden. In reguliere vormen van religie is er altijd een cognitief moment, een vorm van kritische reflectie om de religie te kunnen beschouwen (denk ik dit verband aan de waarde van de theologie om het religieuze beleven te blijven toetsen). Het Apgen was (en is deels nog steeds) geen reguliere religie of levensbeschouwelijke groepering. En dit komt juist door het feit dat de belevingsdimensie waar ik over geschreven heb zo belangrijk is. Een belevingssfeer waarin de grens tussen autonomie en het zelfstandig prijsgeven daarvan om tot een bepaald ‘beleven’ te komen, als een verborgen zwaard aanwezig is. Het feit dat mensen die hier al jaren niet meer komen dit opnieuw kunnen beleven bij een bezoek aan de dienst, zegt veel over het feit wat het genootschap anno 2020 nog steeds is en dat de dressuur nooit meer uit mensen (uit ons, uit mij) weggaat. Een pijn en woede die alleen manifest kunnen worden als men zich bewust wordt van deze dressuur – van het feit dat men een acteur in het eigen leven (geworden) is. Een pijn en woede die gaan over dat wij dit zelf, deze dressuur, destijds verlangd hebben. Er zit een hele dunne scheidslijn tussen wat het meisje met haar loverboy meemaakt en hoe de apostolische liefde in mij ‘gewekt’ is destijds. Met al die deskundigen die met dergelijke pubermeisjes te maken hebben, constateer ik dat dit geen liefde is. Het is geestelijk geweld.


Na mijn vertrek uit het genootschap ben ik lang achterdochtig geweest als bepaalde passies bij mij in het menselijke verkeer opkwamen. Gevoelens van liefde, genegenheid, vergeving en verdraagzaamheid: al deze ervaringen heb ik jarenlang bij mezelf gewantrouwd. Ik was bang dat deze gevoelens alsnog zouden betekenen dat ik mijn eigenwaarde zou prijsgeven daarmee. Dit is een heel begrijpelijke reactie omdat het juist deze gevoelen geweest zijn die door de in mij aangelegde dressuur zijn veroorzaakt. Zoals onderzoek laat zien is menig meisje dat met het trauma van de eerdere loverboy moet leven, beducht wanneer ze later weer liefde voor een jongen voelt. Kan ze zichzelf nog vertrouwen? Ruim tien jaar na mijn vertrek uit het genootschap heb ik met een dergelijke achterdocht ten opzichte van mijn eigen gevoel geleefd. Dit laat zien hoe schadelijk, hoe wreed en ook welk geweld dit misbruiken van de meest intieme eigenschappen van de mens is! Liefde als dressuur.

De essentie bij dit alles is de vraag naar de ‘eigenwaarde’. De vraag daarnaar kon door ons ten aanzien van deze belevingssfeer niet gesteld worden omdat dit zou betekenen dat wij onvoldoende ‘erkenning voor’ bezaten – wat gelijk stond aan egoïsme. Voor menig apostolische van vandaag geldt wellicht nog steeds dat ze op bepaalde momenten met moeite tot deze ‘eigenwaarde’ kunnen komen. Dit blijkt uit de vergaderingen waar ik over schreef en dat men soms aangaf te zijn als een konijntje dat in de koplampen van de auto staart. Het probleem is dat de waardevolle kanten van het menselijke bestaan, zoals de liefde, juist dit snijvlak zijn waar de eigenwaarde en de reflectie opgeofferd kunnen worden. Vandaar mijn eerdere worsteling om een realistische vorm van liefde (geënt op mijn eigenwaarde als mens) vrij te maken uit de dressuurliefde die mijn jeugd heeft bepaald. Om dit proces van het bouwen aan mijn eigenwaarde te kunnen volbrengen heb ik mij jarenlang gedistantieerd van de apostolische invloedsfeer. Ik heb geprobeerd om het apostolische spiergeheugen af te leren. Want hoe kan men tot eigenwaarde komen als die oude reflexen steeds weer in het contact aangezet worden?

Tot besluit: Catharsis.


Hoe gaat het Apostolisch genootschap momenteel met deze situatie om? En wat is er te doen?
Op 14 mei ontving ik de nieuwsbrief van De Stroom. Ik moest daarin zoeken naar informatie over dit onderwerp. Toen ik het linkje opende was er een tekst, een filmpje en een doorverwijzing naar een tekst van T. Kiffers: ‘Hoe de luiken opengingen’. Het is goed nieuws dat het genootschap meteen toen het boek van Doorenspleet uitkwam, hiervan melding maakte op haar website. Maar wat is het dat zij nu communiceert? Wat voor positie neemt ze momenteel ten opzichte van haar verleden in?

Het eerste dat opvalt is dat men aangeeft vanwege het boek ‘voor het eerst kennis te nemen’ van dingen die in het verleden zijn gebeurd en die ‘tot verdriet, pijn en andere emoties hebben geleid’. Dit is anno 2020 een eigenaardige constatering voor een zich vrijzinnig noemend genootschap. Want, als men daadwerkelijk open en vrijzinnig zou zijn, dan zou een kritische reflectie op dit verleden en alles wat daarin is gebeurd met mensen, al veel eerder hebben plaats gevonden. Dit ‘voor het eerst kennisnemen’ geeft aan dat wat ik ten aanzien van de omgang met het verleden constateer en eerder geschreven heb, klopt. Nog in 2016 en op conferenties zoals vorig jaar, werd deze geschiedenis zonder enige vorm van kritiek herdacht en keek men daar met dankbaarheid op terug. Hoe kan een vrijzinnige organisatie haar eigen niet- of antivrijzinnige verleden op een dergelijke wijze herdenken of daar dankbaarheid aan ontlenen? Als de huidige Spaanse regering tijdens een conferentie nog met dankbaarheid haar niet-democratische Franco-tijdperk zou herdenken, zou dit in zichzelf een bewijs zijn dat die democratie zich nog niet voltrokken heeft. Ook vorig jaar was het niet mogelijk om tijdens de conferentie over de ambtsperiode van apostel J.L. Slok kritische vragen te stellen – wat, zoals we weten van Doorenspleet, terecht zou zijn geweest. Dat dit niet gebeurde komt niet omdat men ‘geen zicht’ had op dit verleden, maar omdat mensen hun mond niet open durfden te doen. Wij weten dat op die bewuste conferentie J.L. Slok de regie naar zich toe trok en van tevoren de interviewvragen wilde hebben, van tevoren zijn antwoorden daarop had uitgeschreven. De organisatoren van deze conferentie hebben dit laten begaan, wat de waarheidsvinding over dit verleden geen goed deed en waardoor er een sfeer kon ontstaan van kritiekloos herdenken en waarderen. En dat terwijl ook tijdens deze conferentie er mensen in de zaal zaten die over dit recente verleden een boekje open hadden kunnen doen. We zouden in dit verband van ‘wegkijken’ kunnen spreken (wat op de website van het genootschap ten aanzien van haar geschiedenis, weersproken wordt). Beter is het om van ‘collectieve verdringing’ te spreken. Een verdringing die voortkomt uit het altijd mooier willen voorstellen van de feiten – omdat er altijd reden tot dankbaarheid moet zijn…


Het is niet zo vreemd dat het genootschap op haar website aangeeft geen beeld te hebben van die zeventig jaar apostolische geschiedenis. Veel mensen die ik ken – zelfs mijn apostolische familieleden – hielden hun pijn voor anderen verborgen. Dit had niet alleen te maken met het zeer persoonlijke karakter van dit trauma, maar ook met het feit dat iemand die pijn heeft niet blij is – en dus niet kan bijdragen aan blije diensten. Het apostolische geloof – zoals de blije verwondering waar broeder Zandstra melding van maakt op zijn bekende poster – staat een erkenning van deze pijn nu eenmaal in de weg. Het leven is mooi, ook als het niet mooi is. De district verzorger die ik eerder aanhaalde, constateerde dit ook.
Dat geloven en religiositeit niet hoeven te betekenen dat men een roze bril op heeft is mij de laatste decennia duidelijk geworden toen ik kennisnam van andere religies. In mijn joodse gemeenschap maak ik mee dat het leven met de gruwelijkheid en de vernietiging – waar Hannah Arendt en Harry Mulisch over schrijven – onderdeel zijn van de joodse religieuze beleving. Pijn en trauma zijn verweven met het joodse leven, met haar liturgie en gebedsleven. Geen roze verwondering over hoe mooi alles is – omdat deze zaken – zoals het antisemitisme – nu eenmaal deel zijn van onze werkelijkheid. Nu nog steeds. Geloven kan dus ook op de echte werkelijkheid betrokken zijn…


Uit dit alles vloeit voort dat het Apostolisch Genootschap alleen tot een erkenning over dit verleden kan komen als ze haar eigen geloof, haar eigen identiteit, gaat herzien – en die duistere kant van het leven, die zeventig jaar lang nota bene onderdeel van haar eigen cultuur is geweest, in haar geloof geïntegreerd kan worden. Men schrijft dat het om ‘hiërarchisch leiderschap’ ging (T. Kiffers) en ‘dat dit nu eenmaal normaal was in die tijd’ (sic). Misschien dat men hiermee naar de tijd van Franco verwijst; in Nederland was, zoals Doorenspleet laat zien, allang sprake van democratie en was een dergelijk leiderschap ‘niet normaal’. Maar, het pijnlijke is dat het niet ging om leiderschap-stijlen, om organisatievormen, om ‘onzorgvuldig handelen’ van bepaalde personen. Als dat zo was geweest, dan had het genootschap al veel eerder en makkelijker afstand van haar verleden kunnen nemen. Het pijnlijke is natuurlijk, dat het sektarisme, de dressuur, de gemankeerde liefde (die geen liefde was) in ons zat. In mij. In mij zelfs, als zeventienjarige. En het is deze conditionering die zich de laatste jaren in lijn met wat Zandstra op zijn poster zichtbaar maakte, heeft getransformeerd in een blijde en zorgeloze verwondering voor het leven. Een leven dat we in ontmoetingen en in verbinding willen beleven met elkaar en waar we dankbaar voor kunnen zijn (sic). Laten we hopen dat het genootschap, nu de teerling geworpen is, de horreur van dit verleden wil gaan omarmen. Laten we hopen dat ze recht wil doen aan die honderden en misschien zelfs duizenden, die over de afgelopen jaren hierdoor getraumatiseerd zijn geraakt.

Volgend jaar herdenkt het genootschap haar vijfenzeventigjarige bestaan. Wat valt er te gedenken? Wat is die geschiedenis geweest? Ik hoop dat men in alle gemeenschappen de pijn-passages uit het boek van Doorenspleet van de verhogingen gaat voorlezen om zo mensen in de zaal de ruimte te geven over hun vorming, over hun pijn, te spreken. Een catharsis om zo tot het besef te komen over de échte werkelijkheid; een werkelijkheid die niet altijd mooi is, die soms absurd, wreed en lelijk is. Een wereld die ons doet verbijsteren. Misschien dat dan het ‘in liefde werken aan een menswaardige wereld’ handen en voeten kan gaan krijgen. Misschien dat dan de luiken open kunnen gaan…”


Robin Ruben Brouwer, mei 2020.

20 reacties op “Apostolisch Spiergeheugen

  1. Een analyse die klinkt als een klok. Strik erom en niks meer aan toe te voegen.
    Robin Ruben Brouwer is te vroeg gestorven maar als je dit nalaat: diepe buiging lieve man voor je kraakheldere en niet mis te verstane uitleg van dat wat ook ooit mijn leven was.
    Dat waar we in meegezogen werden moet geduid, onthuld en van alle eufemismes ontdaan worden! Daartoe is dit stuk, na het boek van Renske misschien wel de beste poging.

  2. Hoe prachtig is als datgene wat je wel voelt, maar moeilijk onder woorden kunt brengen, zo helder en scherp wordt uitgelegd en verklaard. Ik ben Robin Ruben Brouwer intens dankbaar voor wat hij ons heeft nagelaten. Dank, dank, dank!

  3. Wat een stuk.
    Dodelijk is nog eufemistisch. Als het tot een catharsis komt (zoals hij in het einde hoopt) wordt dat een explosie die maakt dat na afloop alleen de gebouwen nog overeind zullen staan. Het AG beschikt m.i. niet over het vermogen om hier het juiste mee te doen.
    En het verklaart veel, ook voor mijzelf. Allerlei lastig te benoemen en zelfs beschamende inblazingen die ik altijd moeilijk wist te duiden. Het fileert -haarfijn- hoe dit alles heeft gewerkt. En hoe het nog werkt. Dank voor dit stuk. Wat jammer dat die man dood is.

  4. Wat een bevrijdend relaas, wat een prachtig beschreven analyse van een heel mensenleven (!), zonder verbittering, de emotie voorbij, feitelijk en naar ik hoop zo bruikbaar voor velen die mee willen doen aan de verwerking van hetgeen ons “is overkomen” en dat eigenlijk zo verdrietig is. Dank!

  5. Wat een waanzinnig goed stuk … en (nog steeds) onder de pet gehouden door het Apostolisch Genootschap. Lieve Robin, je bent niet meer onder ons, maar wat had ik graag met je gesproken destijds. Zo belangrijk, niet alleen voor de honderden, waarschijnlijk duizenden die worstelen en schade hebben ondervonden en dat hopelijk de huidige leden inclusief Apostelkind Wiegman, ook eindelijk eens gaan inzien wat hier is gebeurd in plaats van zich bezig te houden met uitsluitend “damage control”. Eerlijkheid en compassie (wat zogenaamd zo hoog in het vaandel staat bij het huidige Apgen) schreeuwen om daden wanneer je bewust raakt van wat hier gaande was. Helaas zit het Apgen nog steeds gevangen in gedachtes, zit het oude in hun DNA, alleen bewustwording is het begin van verandering. Groei begint pas wanneer je bereid bent om nieuwe antwoorden te vinden op de vragen die in je geschiedenis besloten liggen. En met deze nieuwe antwoorden komt er meer eigenheid en vrijheid in wie je nú bent… lange weg te gaan en ben bang dat het ze niet gaat lukken.

    Robin, wat jij hier hebt achter gelaten, wat een herkenning, bevrijding. En wat een mooie treffende term: Apostolisch spiergeheugen. Sektarisme wederom bewezen…. man, man

  6. Zeer sterk onderbouwde en zeer verhelderende analyse van het AG, en wat er níet veranderde. Deze tekst is geschreven in 2020, na het uitkomen van het boek Apostelkind.
    Het bevestigt Apostelkind geheel, en onderbouwt het. De parallelle werelden, gescheiden door de onzichtbare ‘Berlijnse muur’.
    Hoe de indoctrinatie in je geest, je emoties en je lichaam ging zitten.
    De liefde die geen liefde was, maar geweld. Hoe je eigenwaarde en autonomie geofferd werden. En waarom het apgen onmachtig is (tot dusver, en waarschijnlijk ook blijft) om in het reine te komen met haar verleden.
    Voor een échte reflectie zou deze tekst verplichte kost moeten zijn.

    Hierna een aantal onderwerpen en tekstgedeelten die mij geraakt hebben. Het is wat mij betreft een existentiële tekst. Ik hoop dan ook dat velen het zullen lezen.

    De vorming in het AG die zich kenmerkt door het komen (en blijven komen) in een belevingswereld (in een andere tekst ‘apgen revisited’, 2018, wordt dit als de psychosociale belevingscultuur uitgewerkt). Gevoel en beleving zijn dé kenmerken, aangeduid als ‘erkenning voor’, voor de Apostel, en het werk (zeer herkenbaar!). Nu is dat er niet meer maar de apostolische belevingswereld speelt nog steeds een heel belangrijk rol in de apostolische cultuur. Het gaat om het scheppen van een bepaalde beleving, die wij delen met elkaar en waarvan wij gelukkig worden (-ook als dat niet het geval is – mijn toevoeging). Het gaat niet om de wereld, de feiten. Blijheid en dankbaarheid, ook als er iets heel ergs gebeurt. Die warme roze dimensie, die tovermachine die alles wat lelijk was heel mooi weet te maken zodat ik blij kan blijven. En onwetend, op afstand van het echte leven. De reflectie op het leven, dat de wereld ook absurd kan zijn, dát kan die de apostolische geest, het apostolische gevoel, niet toelaten. Alle negatieve ervaringen worden omgezet in iets moois.

    ‘Apostolisch spiergeheugen’:
    Automatisch spreken, kijken, een bepaalde stand van het lichaam – een conditionering die nog jarenlang werkt, in contact met apostolischen. Het veroorzaakt wilsonafhankelijk gedrag, veroorzaakt door een reflex. Dit leidt tot de vraag: ‘Zijn we eigenlijk wel waarachtig of acteren wij zonder dat we het doorhebben?’ Er werd een innerlijke psychische infrastructuur aangelegd. Deze bedrading is niet alleen geestelijk, emotioneel maar ook lichamelijk, als een product van jarenlange dressuur. Het innerlijk is dermate geprogrammeerd dat er emoties kunnen ontstaan die als een inbreuk of ontkenning van de geestelijke autonomie ervaren kunnen worden.

    Tegen de achtergrond hiervan is het obsceen en blasfemisch om bij dergelijke ervaringen over ‘God op zijn schoonst’ te spreken. In werkelijkheid gaat het om jarenlange dressuur (manipulatie) waar God helemaal niet aan te treffen is.

    Het sektarisch karakter zit niet in de gedrags- en kledingvoorschriften, deze zijn verdwenen, maar zit in de intermenselijke betrekkingen, in de wijze waarop dit tot stand gebracht werd, in de ontmoetingen en emoties die dit oproepen. Dít onderwerp is nooit aangepakt. Het is nog springlevend.

    Archeologie van de apostolische pijn:
    Liefde is onlosmakelijk verbonden met de apostolische traditie. Hierbij ging het om een liefde-ideaal: ‘onbaatzuchtig’, ‘onomkoopbaar’, ‘zelfschenkend’, ‘onvoorwaardelijk’ werden aan de liefde verbonden (zie de vele liederen).
    De enorme pijn en woede die zovelen ervaren over hun apostolische vorming gaat juist over deze apostolische liefde. Die liefde die reflectie op eigen leven, de eigen identiteit en autonomie, en het denken over de wereld om ons heen niet toeliet. Deze pijn en woede kunnen we pas achteraf hebben wanneer we ons de vraag stellen wat er werkelijkheid gebeurd is bij het optreden van al deze gevoelens, houdingen en reflexen die we ervaren hebben. Zijn we het zélf wel geweest, waren onze emoties integer en oprecht, of een reflex vanuit de dressuur?
    Zeer pijnlijk om te ontdekken dat je wilsonafhankelijk gedrag vertoont of op een bepaalde manier voelt of denkt, wat je achteraf bezien helemaal niet wilt omdat je dat niet bént (mijn grote probleem is dan ook: wie ben ik wél?)
    Het feit dat honderden deze pijn, over het geweld aandoen van de eigen autonomie in het AG gevoeld hebben is veelzeggend.
    In het AG/apgen is een belevingswereld waarin de grens tussen autonomie en het zelfstandig prijsgeven daarvan om tot een bepaald ‘beleven’ te komen als een verborgen zwaard aanwezig. De essentie bij dit alles is de vraag naar de ‘eigenwaarde’. Deze vraag kon door ons ten aanzien van deze belevingssfeer niet gesteld worden omdat dit zou betekenen dat wij onvoldoende ‘erkenning voor’ bezaten – wat gelijk stond aan egoïsme (en waardoor je je feitelijk al richting uitgang begaf..). Voor menig apostolische vandaag geldt wellicht nog steeds dat ze op bepaalde momenten met moeite tot deze ‘eigenwaarde’ kunnen komen. Het probleem is dat de waardevolle kanten van het menselijk bestaan, zoals de liefde, juist dit snijvlak zijn waar de eigenwaarde en reflectie opgeofferd kunnen worden.
    Vandaar de worsteling om -na het overgaan van de ‘muur’- een realistische vorm van liefde (geënt op eigenwaarde) vrij te maken uit de dressuurliefde uit de jeugd.

  7. Wat een scherpe geest, wat een vermogen om het onzegbare te verwoorden. Dank, veel dank, Robin Ruben Brouwer. Dit is niet voor niets opgeschreven. Hier gaan heel veel mensen veel aan hebben.

    1. Een document van eeuwigheidswaarde voor leden nog amper10000 en ex- leden. Ook voor een overheid die dit verschijnsel in Nederland liet en laat bestaan. Maar zongen wij samen niet en ik tot mijn 22 e : ” u altijd Christuszijn Apostel is oorzaak dat wij nog bestaan ” om maar iets te noemen. Tijdens een Jeugdappel : ” hier spreekt uw Apostel die zich legitimeert als de gezalfde Gods van vandaag ” Dan hadden wij toen toch al veel beter moeten weten. Aperte psychopathologie!

  8. Er was naast het dressuur ook het grote geloof en vertrouwen en dat werd snel geknakt, toen ik beroep deed op HULP !

    Ik was toen twintig en een jonge vrouw.

    Toen was ik ZÓ 😣 machteloos en echt stuurloos + het spoor helemaal kwijt …

    Ik werd er fysiek onwèl van en ging toen jarenlang onderuit : was verschrompeld in mijn eigenwaarde, in bestaansrecht !

    Alsof ik ‘geestelijk’ in mijn gezicht werd geslagen, na de trauma’s in mijn jeugd waarin óók in mijn gezicht doelwit was.

    Alle verwachtingen werden gekelderd …

  9. Dank Robin, ook al ben je er niet meer. Woorden op papier, die na het lezen van het boek van Renske in mijn brein rondrazen, heb jij hier helder en mooi onderbouwd opgeschreven. Dat schept weer ruimte en helpt in het verwerkingsproces. Hoop dat ik in de toekomst wat minder “aan” ga en me los kan maken van dit verleden, die diepe sporen heeft nagelaten. Dank dank dank 🙏🧡

  10. ……..zo raak geschreven………Dit stuk geeft net als het boek van Renske nog meer woorden aan mijn beleving in het apostolisch genootschap. Beste Robin, ookal ben je er niet meer, hartelijk dank!! Er hoeft geen woord meer te worden toegevoegd, het is nogmaals duidelijk, we zijn in een schadelijke omgeving opgegroeid! Gelukkig heb ik tegen de stroom in jaren geleden op 17 jarige leeftijd de beslissing genomen om eruit te stappen. Beste beslissing ooit! Het heeft mij nog sterker gemaakt, ookal was ik dat al wel want je staat echt helemaal in je uppie bij een dergelijke beslissing.

  11. Wat had ik graag met Robin Ruben Brouwer gesproken. Dressuur, dat is het. Ik noemde het altijd het ‘heilige moeten’.

  12. Wauw, wat een helder verhaal. Het grote, beschadigende probleem wordt haarscherp benoemd en de vinger feilloos op de zere plek gelegd. Ook opnieuw een stimulans. Ik heb mij welhaast neergelegd bij het feit, dat wat er met de paplepel in ging, er nooit helemaal uit gaat. Zelfs niet na veel lezen, denken en therapie. Maar met de kennis en het inzicht zoals door Robin beschreven, kun je wel alert zijn op situaties, waarin je per ongeluk / ongemerkt “aan gaat staan” en kritisch kijken naar je eigen handelen en reageren.
    Knap artikel.

  13. Robin, Renske zij geven woorden aan wat mij bezig houdt. Mooi dat dit zonder verbittering kan en heel veel van ons zal helpen bij de verwerking van het sektarische bewind onder de Apostelen Slok. Of het nu veranderd is in het Apgen of hoe het straks ook mag gaan heten, boeit me niet. Ik heb er niets meer mee. Robin zo jammer dat je er nu niet meer bent. Renske, bedankt voor het begin van mijn verwerking.

  14. Ik was eerder ANGSTIG dan dat ik “AAN” stond en moest mijzelf “AAN” zètten …

    Ik VOELDE WEL, dat ik gemanipuleerd werd, ik voel dat altijd heel intuïtief …

    OOK NU VOEL IK HET : ZURE CULTUUR !

  15. Bij het meldpunt zeiden ze in Februari dat het zo ongelovelijk druk was.. inmiddels zijn er 70 meldingen gedaan, echt druk noem ik dat niet. Het duurt maanden voor je een antwoord krijgt. Ik zit te denken om het op een andere manier te gaan aanpakken via letselschade advocaten, snelheid is geboden aangezien die Slok nog leeft. Is er een manier om met elkaar in contact te komen zonder Facebook?

    1. Dag Peter,

      Inmiddels is er volgens het AG ruim 120 keer gemeld, en dat aantal zal voorlopig nog oplopen, omdat tientallen ex-leden hun melding nog aan het voorbereiden zijn.

      Je kunt mailen naar ons adres: info@apostelkinderen.nl

      Groeten, de redactie

  16. Een essentieel en waardevol document. Het raakt me… Delen van dit document heb ik inmiddels naar oa Bert Wiegman gestuurd. Met elkaar moeten we – professioneel – zoeken naar aandacht en herhaling van deze boodschap, want we zijn er nog lang niet.

    1. Beste Arnold Vermeulen, Denk je nu echt dat Bert Wiegman hier niet van op de hoogte is??? Robin Brouwer heeft zelfs intern onderzoek gedaan van 2014-2018 in opdracht van het Apgen. De resultaten zijn gedeeld met het bestuur, maar ik heb hier intern nooit iets over gehoord. Lees het rapport http://samenapostolisch.nl/forum/download/2014%20-%202018%20Apgen%20Revisited.pdf
      Dit rapport zal waarschijnlijk een of andere kast verdwenen zijn in Baarn zodat leden er geen kennis van kunnen nemen en onwetend gehouden worden. Doordat er nog steeds wordt weggekeken van pijnpunten en kritiek en leden dit nog langer blijven tolereren, zal er nooit iets veranderen!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *